Laat Abu Zayd het recht op afvalligheid onderschrijven
De Volkskrant, 4 september 2007
 

Daniel Pipes schreef ooit dat de radicale islam het probleem is, en de gematigde islam de oplossing. Daarom is het verheugend dat Nasr Abu Zayd een artikel heeft geschreven waarin hij betoogt dat de gematigde islam echt bestaat, en zelfs aan invloed wint. Helaas levert zijn artikel voor dat laatste geen enkel bewijs, als zoiets al te bewijzen valt. Bovendien biedt wat Abu Zayd als ‘matiging’ aanmerkt, geen oplossing voor de radicaliteit. Integendeel, het stelt de deur ervoor open.

De grootste hobbel voor de doorbraak van de gematigde islam is volgens Abu Zayd het ‘blindelings navolgen van de traditie’. Deze traditie wordt in stand gehouden door een ‘religieuze elite’ die de poorten van de ijtihad (interpretatie van de Koran) sinds de 13e eeuw ‘voor de gewone mensen’ gesloten houdt, waardoor de ware betekenis van de Koran verborgen blijft. De oplossing volgens Abu Zayd is, dat ‘gewone mensen’, over eeuwen orthodoxe traditie heen, terugreiken naar de Koran en daar zelf mee aan de slag gaan. Volgens Abu Zayd is dit proces al wereldwijd gaande, en ik denk dat hij gelijk heeft. Dit is namelijk precies wat men ‘fundamentalisme’ pleegt te noemen. Het is veelbetekenend dat Abu Zayd het ‘blindelings navolgen van de traditie’ aanduidt met het woord  jahiliyya (de duistere periode van voor de komst van de islam), een woord dat moslims gebruiken wanneer ze vinden dat de bestaande orde moet verdwijnen om plaats te maken voor een nieuwe, betere islamitische orde.

Die nieuwe orde, die Abu Zayd wervend ‘liberaal’ noemt,  kunnen we volgens hem rechtstreeks afleiden uit de Koran. Nee, niet door Gods Woord letterlijk te nemen, maar door de Koran ‘wetenschappelijk’ te historiseren, in een context te plaatsen. Wie de Koran wetenschappelijk leest, zal volgens Abu Zayd zien dat de gelijkheid van mannen en vrouwen ‘een goddelijke eer is die de mens geschonken is’, en dat de keuzemogelijkheid voor of tegen het dragen van een hoofddoek een ‘mensenrecht’ is, die voortvloeit uit de ‘geest van de openbaring van de Koran’.

De onderliggende boodschap is duidelijk: een overheid die hoofddoeken verbiedt, schendt een ‘mensenrecht’. Ik weet dat er mensen zijn die zich door dit soort redenaties laten imponeren, omdat ze zijn vergeten dat het idee van mensenrechten was, dat ze per se níet uit de Koran voortvloeien, maar aangeboren, vanzelfsprekende rechten zijn van elk individu, ongeacht geloof, geslacht, afkomst et cetera. Het recht op het dragen van een hoofddoek, noch het recht om af te zien van het dragen van een hoofddoek kunnen gerekend worden tot de mensenrechten, omdat dit recht alleen van toepassing is op moslims, en dus een ‘islamitisch mensenrecht’ zou zijn, wat een contradictio in terminis is.

 

Abu Zayd weerspiegelt met deze redenatie de typische houding van veel zogenaamde islamhervormers tegenover Westerse waarden. Aan de ene kant willen ze de waarden die het Westen succesvol maakt, omhelzen, door te beweren dat democratie, mensenrechten en de gelijkheid van mannen en vrouwen ‘eigenlijk’ islamitische waarden zijn en voortvloeien uit de Koran. Aan de andere kant kunnen ze het idee dat moslims meer rechten hebben dan niet-moslims, niet loslaten. Het idee dat een moslim bijzondere rechten toekomt, of ten minste respect vanwege zijn ‘identiteit’, is een idee dat uit de Koran komt en diep ingebed is in de islamitische cultuur. Dit idee ligt ook aan de wortel van de opkomst (en, hopelijk, de ondergang) van de radicale islamitische bewegingen.

In de Koran laat God de moslims weten dat zijn genade zich exclusief over hen uitstrekt, louter en alleen omdat zij moslims zijn. Een individuele moslim kan weliswaar zondigen, maar de umma (de moslimse ‘natie’) is onfeilbaar. De umma heeft daarom van God het alleenrecht gekregen op het bestieren van alle aardse verhoudingen ter voorbereiding van de eindtijd. Het ‘bewijs’ van deze moslimse superioriteit werd, behalve door de eigen geschriften, geleverd door de loop van de geschiedenis, dat wil zeggen doordat de umma feitelijk in staat was haar politieke wil aan niet-moslims op te leggen. In de 19e eeuw ging het definitief mis met die macht. Het koloniale Westen werd de baas, nationale overheden ontstonden, en niet-moslims op moslims grondgebied kregen eindelijk wat wettelijke ruimte om zich aan hun vernederende verplichtingen ten opzichte van het moslims gezag (waaronder het betalen van speciale belastingen) te ontworstelen.

Deze ontwikkelingen leidden onder moslims tot een geloofscrisis, een soort cognitieve dissonantie: hoe was het in hemelsnaam mogelijk dat niet-moslims, die slechts via moslims deel hebben aan Gods genade, onafhankelijk van moslims konden bestaan, succesvol konden zijn, en zelfs macht konden uitoefenen over moslims? Je zou deze crisis kunnen omschrijven als de krenking van een collectief narcisme van de umma, die niet langer het respect van niet-moslims ontving dat het van Godswege toekwam. Er ontstonden reactionaire groepen, bewegingen zoals de Moslim Broederschap, die zich niet wilden neerleggen bij de nieuwe orde, die alle burgers gelijke status gaf. Zij probeerden de enige juiste orde te herstellen door middel van jihad, wat niets anders is dan het door geweld of geweldsdreiging terugdwingen van niet-moslims in een respectvol verband met de umma.

De achtergrond van het radicalisme is dus een onopgeloste geloofscrisis, die niet veroorzaakt wordt door het sluiten van de poorten van de ijtihad, zoals Abu Zayd denkt, maar door het verlies van macht van moslims aan niet-moslims. Hoe dit te matigen?

Een theologische oplossing zou het inzicht kunnen zijn, dat Gods genade zich over alle mensen in gelijke mate uitstrekt, ook over niet-moslims en ongelovigen. Dat zal een hoop exegetische krachten vergen, omdat de islam zich zo expliciet definieert als de overtreffende trap van de andere godsdiensten. De Koran is de enige zuivere openbaring, andere heilige boeken zijn ‘vervalst’, Mohammed heeft als Zegel der Profeten het laatste woord en Allah is akbar, groter, het grootst. En het wordt nog ingewikkelder wanneer islamhervormers als Abu Zayd en Tariq Ramadan dit probleem niet onder ogen zien,  maar zich in plaats daarvan ook nog het secularisme toeëigenen, door mensenrechten en democratie Koranische waarden te noemen.

 

Wat te doen? Misschien is de gematigde islam inderdaad een oplossing voor de radicale islam, maar die gematigheid zal niet voortkomen uit een nieuwe interpretatie van de Koran. De enige lakmoesproef voor gematigdheid is het grondwettelijke recht op godsdienstvrijheid, waar afvalligheid of bekering deel van uitmaken, als moslim te onderschrijven. Als Abu Zayd werkelijk meent dat de Koran gewetensvrijheid gebiedt, zal hij dat doen.