FUNDAMENTALISME

   Fundamentalisme is in de psychiatrie de benaming voor de gods­dien­stige stoornis om zich af te sluiten voor de moderne tijd. Lijders aan deze deficiëntie leven in een fictief verleden van morele zuiverheid. Het ver­schijn­sel kan bij elke religie optreden waarvan de aanhangers nog niet allemaal door de Verlich­ting zijn bereikt. In plaats van Licht be­schik­ken zij over een oud Boek, waarin ooit de waarheid van een andere tijd is geno­teerd, welke thans naar het heden wordt geëxtrapoleerd. Relati­vering is hen daardoor vreemd, en besef van de tijdgebon­denheid van waarheden even­eens. Hoofd­eigen­schap van lijders aan fundamenta­lisme is dan ook, dat zij nog in geestelijke Duisternis verkeren, en de duisternis van eeuwen nog niet van hun geest hebben afge­stoft.
   Uitwendig neemt fundamentalisme zeer verschillende gedaanten aan, al naar gelang God en regio. In koude protestantse streken hult het zich in hoogslui­tende zwarte pakken en enkellange rokken, in hete islamiti­sche in vormeloze spookgewa­den zowel voor man als vrouw. Gemeenschap­pelijk kenmerk is steeds dat de huid niet onbedekt wordt gelaten, het lichaam binnen het bewust­zijn een onbeken­de schemer­zone vormt, en de voortplan­ting uit angst voor zinnelij­ke verleiding daarom met gesloten ogen wordt gedaan. Erotiek komt in het fundamenta­listisch woordenboek niet voor. Het ver­schijnsel verbreidt zich echter snel, want ook in het duister vindt de fundamentalist, met voorbe­hoedsmiddelen onbekend, altijd moeite­loos zijn weg. Aangezien andere remmingen niet bestaan wordt een grote kinder­schare als religieuze verplich­ting ervaren, en uitzaaiing van het ware geloof vindt dan ook meestal via coïtus non-interrup­tus plaats. Gaat heen en vermenigvuldigt U. Waar in bed niet vermenigvul­digd kan worden, is ook aftrek­ken verbo­den, en homo's die bij een staartdeling door tenmin­ste vier getui­gen worden betrapt - wat op gezellige feesten en partijen al gauw het geval kan zijn - belanden voor eeuwig in de hel.
   De lijders aan fundamentalisme hebben dan ook grote moeite met gezelligheid. Men treft hen bij voorkeur boeteprekend aan op steile kansels, zelfkastij­nend in sombere kloosters, of in trance traag verzen reciterend op een kamerbreed tapijt. Dans, toneel, film, muziek, kunst, literatuur zijn veelal streng verboden, want overbodig: zij roepen een wereld van schone schijn in het leven en leiden zo alleen maar van de onpeilbare grootheid van Jah­weh, God of Allah af. Mense­lijke afbeeldin­gen zijn als blasfemische vorm van zelfverheffing in hun bedehuizen helemaal taboe, en gezongen wordt daar hoog­stens mono­toon op hele noten. Genot is zondig, luxe decadent, en het liefste verblijven echte fundamen­talisten in een spinragbe­dekte grot. Satyre en spot ten aanzien van zulke zonder­linge voorkeuren worden echter niet geapprecieerd. Als gevolg van hun religieuze aandoe­ning on­machtig om het volle leven aan te kunnen, pogen zij daarom steeds hun medemens te her­schep­pen naar hun eigen vreug­deloze evenbeeld. Ratione­le vertogen en argumenten kunnen hen daarbij niet raken; zij hebben zich, van hun verstandelijke vermogens beroofd, voor altijd onge­naakbaar achter de muren van hun ingebeelde Waarheid ver­schanst. Diep in hun ziel getrof­fen zijn zij slechts als iemand hen dit als de waar­heid zegt.
   Grote moeite hebben de lijders aan fundamentalisme daarom eveneens met mense­lijke verscheidenheid. Zij beschikken immers over Eén Boek, dat als boodschap van Eén God ook maar Eén Waarheid bevat. Meer is voor een eendimensionaal leven niet nodig, en met de heilige drievuldigheid zijn de meesten derhalve aan hun taks. Dat Ene Boek sluit uiter­aard alle boeken van de anderen uit. Een absolute claim voor de eigen leer op de Weg, de Waarheid en het Leven is zo aan fundamentalisme inherent. Zou de moge­lijk­heid opengela­ten worden dat de Verlos­sing ook langs een andere route kan geschieden, dan verliest het meteen zijn zin.
   Wonderen komen daarbij goed van pas. De Voorzienigheid wijst door in de natuurlijke fysieke gang van zaken in te grijpen de mensheid de juiste weg. Wie ook daarna het woord Gods nog niet wil horen, zal de hand Gods maar moeten voelen. Apocalyptische strafge­richten voor de in hun dwaling volharden­den werden reeds in het Boek aan hele volkeren beloofd en voltrokken, en daarom ook door fundamentalisten aan de thans in hun dwaling volharden­den beloofd, en als het even kan ook voltrokken. Funda­mentalisme bezit daarom een voorliefde voor een bar­baarse strafprak­tij­k, omdat alleen zo de gewenste dictatuur van geestelijke unifor­miteit kan worden geves­tigd.
   Lijders aan fundamentalisme kunnen dan ook niet zonder hun spiegel­beeld, de ketter. Met behulp van wiens lichaam moet anders een afschrik­wek­kend voorbeeld worden gesteld, ten einde de nog volgzamen volgzaam te houden? Funda­mentalis­ten zijn om die reden altijd naar ketters op zoek. En het is niet moeilijk die te vinden, want de Ene gewettigde inter­pretatie van het Ene Boek is zo smal en benauwend, dat iedereen die niet een volslagen zombie is, snel tot afwijkende conclusies moet komen. Ketters vormen derhalve ook een geliefder object voor demonstratie­ve correctionele maatregelen dan heide­nen. Heide­nen immers weten niet beter: zij zijn door het ware geloof nog niet bereikt. Ketters daarente­gen zijn wel met het ware geloof bekend, maar weigeren zich ernaar te voegen. Ster­ker: zij zijn er niet alleen mee bekend, maar gaan van hetzelfde Boek uit, dat vervol­gens alleen anders wordt geïnter­pre­teerd. De grootste angst van de funda­mentalist is daarom dat hij door toedoen van de ketter ook wel eens zelf zijn waarheid zou kunnen verliezen, en daarmee zijn catalo­gus pasklare antwoorden op elke levens­vraag. Om eigen geestelijke desoriënta­tie te verhinderen is derhalve strenge bestraf­fing op zijn plaats.
   Fundamentalisme vloeit namelijk voort uit menselijke onzekerheid. Belijders worden door hun geloof automa­tisch van Boven aange­stuurd. Valt dit geloof weg, dan valt ook die sturing weg. Ook daarin zijn de fundamen­talisten van alle geloven in essentie één: zonder zulke sturing verliest hun leven richting, en daarmee elke zin en zeker­heid. Sturing is daarbij vooral gerust­stellend omdat dit hen van de inspan­ning om zelf na te denken ont­slaat. Denken is name­lijk moeilijk. Kritiek­loos volg­zaam blijven is veel makke­lij­ker. In door funda­mentalisten gere­geer­de landen wordt het laatste dan ook met het oog op de zielerust van de onderda­nen bevorderd, en het eerste bij voor­keur afge­schaft. De kerntaak van de Ver­lichting, zo wist reeds Voltaires collega Immanuel Kant tweehonderd jaar geleden, was dan ook de bevrij­ding van de mensheid uit de domheid van haarzelf.

Thomas von der Dunk, 11 november 2001