HET PROBLEEM VAN DE BOTSENDE BESCHAVINGEN

Godsdienst als bron van geweld
   In het jaar 754 werd Bonifatius bij Dokkum vermoord, en dat was volko­men terecht. De Ierse monnik was bezig met een uiterst agressieve beke­ringscam­pagne onder de Friezen, waarbij hij zich niet ontzag om hun oude gewijde heiligdom­men te verwoesten om plaats te maken voor de machts­symbo­len van een te vuur en te zwaard geïntrodu­ceerd nieuw geloof.
   Wat Bonifatius probeerde, was om aan een vreemde heiden­se samenle­ving met geweld zijn eigen normen en waarden op te leggen, en wat de Friezen bij Dokkum deden, kwam derhal­ve op mentale zelfverdedi­ging neer. Twee geloven, twee beschavingen stonden hier tegenover elkaar, en met de zege van de Kerk van Rome over het Friese heidendom dolven ook tal van overgelever­de autochtone opvattingen het onder­spit. In diezelfde zin willen velen, zowel hier als ginds, in de huidige spanningen tussen het Westen en het Midden-Oosten niet slechts een botsing tussen bepaalde belangen, maar tevens tussen beschavin­gen zien.
   Beschavingen en geloven lopen namelijk in die delen van de wereld waar mensen nog daadwerkelijk gelóven onmiskenbaar parallel. Met het botsen van godsdiensten botsen ook beschavingen op elkaar. Godsdienst is immers meer dan een optelsom van enige fleurige riten voor een handvol feestda­gen per jaar, en de beteke­nis van godsdienst als vor­mende en binden­de kracht van een cultuur en maat­schappij reikt veel verder dan de strikt theologische vraag of Christus Gods zoon is, dan wel Mo­hammed diens meest recente profeet. En speciaal geldt dat voor de drie monotheïstische religies die hun wortels hebben in de contreien rond Jeruzalem.
   Gods­dienst vormt het fundament van de be­scha­ving in een groot deel van de Oude Wereld, gezien het aan alledrie inhe­rente uit­gangs­punt dat er zoiets bestaat als een Goddelij­ke Waarheid en een Goddelij­ke Orde, die hun normatie­ve neer­slag vinden in een specifiek geschrift dat daarmee als Godde­lijke Openbaring de gelovigen de regels voorschrijft waarnaar zij in het onder­maanse hun maatschappij collec­tief hebben te ordenen en zich individu­eel hebben te richten - voor­schrijft, hoe zij moeten leven en sneven, paren en baren. En zelfs daar waar nadien het daad­werkelijke gelóóf in het boven­aard­se is afgenomen, en daarmee, als thans bij ons het geval is, de directe band tussen staats­inrichting en kerkvoor­schrift ver­dwenen is, verliezen die opvattingen niet meteen hun betekenis. Ook daar blijft het ooit op grond van vermeende boven­aardse aanwij­zin­gen gefor­mu­leerde normen- en waardenpa­troon nog lang als fundament voor de rechts­orde­ning domi­nant, en daarmee het bindmiddel van een samenle­ving als ge­heel. Wanneer verschillende godsdiensten met elkaar in aanraking komen, ligt op het wrijvings­vlak in beginsel altijd het gevaar van een botsing op de loer.
   Dit eenstemeer op grond van de absolute claim op de zaligheid, die elke gods­dienst eigen is en daarmee tegelijk die van de ander uitsluit. Elke gods­dienst pretendeert immers dat zij als enige de Weg, de Waar­heid en het Leven heeft te bieden; zou zij de mogelijk­heid openlaten dat de Verlos­sing ook langs een andere route zou kunnen geschieden, dan verliest zij haar zin. Er is daarom ook geen religie zonder moraal, en waar de ware gelovigen de waarheid van hun religie als de enige juiste beschou­wen - anders zijn zij geen ware gelovigen meer - geldt dat ook voor de bijbeho­rende moraal. Zeker geldt dit voor die drie wereldgodsdien­sten wier levensbeschou­wing ooit in een dik boek­werk opgete­kend is, waarvan de kern hen ooit door God zelf vanuit de hemel zou zijn aangereikt. Mohammed meende tijdens het noteren van de soera's linea recta door Hoog­hierboven te worden geïnspi­reerd, gelijk Mozes tweedui­zend jaar eerder met de Stenen Tafelen was terugge­keerd van een Hoge ontmoeting op de berg Sinaï, en niet van een delftocht in een diepe onder­aardse put. De in die geschriften vervatte moraal wordt op grond van die Hoge Herkomst door de gelovigen als univer­seel be­titeld en dient zodoen­de even­eens voor nog-anders­denken­den te gelden, ook voor hen dus in wier ogen die Hoge Herkomst bij gebrek aan doorslag­ge­vend tastbaar bewijs te betwijfelen valt.
   Dat hoeft niet altijd meteen tot gewelddadige conflicten met die anders­den­kenden te leiden, maar naarmate de gelovigen fanatieker zijn en hun waar­heid meer verabsolute­ren, zullen zij ook vuriger pogen om tot extra glo­rie van hun particuliere God hun waarheid daadwerkelijk aan de nog niet bekeerde wereld op te leg­gen - und bist du nicht willig, so brauch' ich Gewalt. Bonifatius deed hierin niet voor Bin Laden onder. Alle heilige oorlo­gen, of het nu om de kruistochten of de djihaad, om de gods­dienstoor­lo­gen van de zeven­tiende of die van de eenentwintig­ste eeuw gaat, vinden in dit geloofsuniver­sa­lisme hun oorsprong. Voor de godsdienstig geïnspi­reerde moordlust is het daarbij niet van zo geweldig belang of men zich op de Bijbel, de Koran of de Thora beroept, zoals de nog dage­lijks op tv te volgen duizend­jarige slag om de Tempelberg duide­lijk maakt. Intole­rantie en krijgslust liggen zo in laatste instantie besloten in het verschijnsel gods­dienst zelf. Het risico daarvan is hooguit wat minder voorhanden bij boed­dhisme en hindoeïsme, omdat beide zo'n goddelijk geschrift met precies van Boven gedicteerde leefregels ontberen, en zij het met een veel minder mensvormig godsbeeld moeten doen. Het moordt in naam en op­dracht van een gepersoni­ficeerde almachtige God nu eenmaal met een geruster gemoed dan wanneer men slechts een ongrijp­ba­re heilige wolk als ideolo­gi­sche rugdek­king achter zich weet.
   En het risico daarvan is speciaal groter in het geval van christendom en islam, omdat zij daadwerkelijk universele pretenties hebben, waar het joodse geloof en de joodse God, als direct gevolg van hun tribalis­tische oor­sprong, vooral voor één enkel - daarmee uitverkoren - volk waren voorbe­stemd. Be­keringsijver is het jodendom dan ook vreemd, en anders dan het uit het jodendom voortgekomen christendom is in de binnenlan­den van Azië, Amerika of Afrika de laatste eeuwen nooit uit zijn naam enige zendeling aangetrof­fen. Nog steeds is het veel omslachtiger om jood te worden dan christen of islamiet. Tegelijk hoeft dit relatieve tekort aan missionair expansi­onisme de feitelijke vredelie­vend­heid niet te bevorderen, zoals lezing van het Oude Testa­ment leert. Al hadden de joden niet van Jahweh een zendingsopdracht meegekre­gen, menig volk dat het uitverkore­ne op zijn bijbelse weg naar het Beloofde Land tegen­kwam, ruimde het al in de Penta­teuch met goddelijke hulp zonder pardon uit de weg.

De rauwe kernen van het geloof
   Juist die tribale oorsprong staat daarbij voor een sterk atavistisch karakter van het legitimerende heilige ge­schrift garant: voor de oudtestamen­tische joden vormden de eigen God en godsdienst een zeer belangrijk middel in de strijd ten einde tussen de omringende vijandige volkstam­men te overle­ven. Daardoor draagt ook de Thora onvermij­delijk de sporen van dat primitieve verre verleden, en hetzelfde zou honderden jaren later voor de Koran gelden, die immers eveneens uit de kring van een toen nog noma­disch woestijnvolk stamt.
   Een hoge mate van rauwheid en wreedheid is dientengevolge aan beide ge­schrif­ten inherent. Dat willen de vele gematigde gelovi­gen van vandaag vaak liever niet weten, omdat bij hen als gevolg van een eeuwen­lang bescha­vingspro­ces - bij de joden zo goed als bij de mos­lims - inmid­dels de scherpste kantjes van het geloof zijn afgesle­ten, en de oor­spronke­lijk ooit zo absolutisti­sche interpretatie van dat geloof vergaand is gecivili­seerd. Maar wie zich even in de schriftelijke oerbron ervan verdiept, kan om die voor contemporaine goedwillenden zo pijnlijke conclusie niet heen. Er staat wat er staat, en er is, op grond van wat indertijd als maat­schappe­lijke norm gangbaar was, geen reden om aan te nemen, dat wat er staat niet ook indertijd zoals het er staat was bedoeld.
   Van de barbaars­heid van die plaats en tijd van ontstaan hangen namelijk direct de barbaarse omgangsvormen af, die - tussen de talloze stichtende regels over naastenliefde door - als goddelijke wetge­ving voor overtredin­gen van de godgegeven wetsregels worden voorge­schreven: oog om oog, tand om tand. Revan­chis­me behoort daar­door evenzeer tot de oerkern van menig geloof als naas­tenlief­de, of beter: die naasten­liefde die het nieuwe geloof bij zijn komst verkon­digde, beoog­de veelal omwille van een grotere sociale sta­biliteit de bestaande bruutheid en revan­chis­tische instincten te temmen. Deze lieten echter tegelijkertijd - door hun alomtegen­woor­digheid in de dagen waarin de heilige teksten op schrift werden gesteld - in diezelf­de heilige teksten onvermijde­lijk hun sporen na.
   Resultaat was dat in de praktijk de naasten­lief­de voor de eigen gelovige volksgenoten, de bruut­heid voor de omgang met de nog niet bekeerde en dus verdoem­de vreemdelingen werd gereserveerd, en dus een botsing met andere religieuze beschavin­gen in de politieke vertaling van de nieuwe religie veelal was voorgepro­grammeerd. Zo maakten in die strijd tussen stammen vrouwen vaak deel uit van de legitieme oorlogsbuit. Ook het oude Rome werd in zijn beginda­gen immers door de Sabijnse maagden­roof groot. De tribalistische herkomst van de islam kan zich daardoor in geval van huidig alledaags fundamen­talisme, dat de oude teksten weer eens letter­lijk neemt, eveneens gemakke­lijk verta­len in het dierlij­ke roedelge­drag - zoals grootschalige vrouwen­verkrach­ting - dat Tali­ban-strij­ders regel­ma­tig ten opzichte van over­wonnen 'ongelo­vigen' tentoonsprei­den, en al in vroeger eeuwen als finale van een gewon­nen stammenstrijd schering en inslag was.
   Het christendom draagt van dergelijk tribalisme al veel minder de sporen, omdat het Nieuwe Testament niet wortel schoot onder een noma­disch woestijnvolk, maar tot stand kwam in een geürbaniseerde provincie van het Romeinse Rijk: de meest geslaagde multi­culturele samenleving uit de Oud­heid. Daarbinnen waren als gevolg van de Pax Romana de alledaagse omgangsvor­men tussen diverse volkeren derhalve reeds aanmerkelijk vredi­ger, terwijl polygamie - uitvloei­sel van het roedelvor­mende principe van de meervoudi­ge vrouwen­roof - niet meer bestond. Christe­lijk funda­mentalis­me zal zich daarom, bij gebrek aan relevante evangelie­tekst, ook iets minder snel in uitbundig pluriform sexueel gedrag uiten, zoals ook de voorge­schreven habitus in dezen in orthodox-protestant­se kring illus­treert.
   Juist de kruis­dood, die aan het Evangelie zijn betekenis moet verlenen, maakt echter tegelijk duidelijk dat een hoog ontwik­kel­de samenle­ving als de Romeinse niet automatisch ook hedendaag­se humani­teit impli­ceert. En speciaal op dit punt worden in het Westen thans de verschillen en daaruit voort­komende geschillen met het niet-Westen vaak als een botsing tussen beschavingen ervaren. Waar het de gruwelijk­heid van het in officiële wettek­sten neergelegde strafrecht betreft, doen evenwel alle grote culturen, of het nu de antieke, de Chinese, de islamiti­sche of de christelijke betreft, van oorsprong nauwelijks voor elkaar onder. Het was ook in Europa pas de Verlichting, dus in zekere zin de overwinning óp het eigen eeuwen­oude geloof, die ervoor zorgde dat lijfstraffen en gerechtelijke tortuur tot het verleden gingen behoren.
   Dat fundamentalisme zich, getuige de islamitische landen waar de sjarie'a weer wordt toegepast, in de regel allereerst in een mensonterende straf­praktijk vertaalt, kan zo niet verbazen. Die hang naar een wrekende gerech­tigheid is bij geen enkele godsdienst aan de orthodoxe vleugel helemaal vreemd. Nog in de Verenigde Staten vindt - en de huidige president mag daarvan als exponent gelden - de doodstraf de meest fervente aanhang in conservatief-christelijke, niet in ver­licht-libertijnse kring: op het platteland in het zuiden, niet in New York. God blijkt in het godvruchti­ge Texas een even frequent voor­stander van de elektri­sche stoel als van publieke geselin­gen in Teheran.
   Over de intellectuele logica van de desbe­treffende religie zegt het zo-even geconstateerde verschil in bescha­vingsoorsprong uiteraard niets. In dat opzicht moet misschien eerder het chris­ten­dom het tegen de beide andere afleg­gen, gezien de fysische nood­grepen als opstan­ding, onbevlekte ontvan­genis en heilige drie-eenheid die het behoeft om het eigen verhaal vorm te geven, zeker in de katholieke variant ervan. God zond ons zijn Zoon, maar liet daartoe via kunstmatige inseminatie de Heilige Geest bij de ook daarna Maagd gebleven vrouw van een ander het eigenlijke werk doen - en tegelijk zijn Vader, Zoon en Geest toch één. Wie deze familiere­la­ties in een begrijpe­lijke stamboom weet weer te geven verdient een Nobel­prijs voor de genealo­gie. Niet voor niets luidt het roomse uitgangspunt hier credo, quia absurdum - ik geloof het, juist omdat het absurd is.

De godsdienstige hang naar zekerheid
   Vanuit het idee dat het eigen geloof op elke vraag een antwoord vraag heeft - en wel op elke vraag één antwoord heeft - gaan de vurigste bewa­kers van de religieuze rechtlijnigheid ook altijd zo fel tegen ketters en heidenen tekeer. Ketters gelden daarbij vanouds als erger dan heidenen, en dat is verklaar­baar. Heidenen immers weten niet beter: zij zijn door het ware geloof nog niet bereikt en kunnen aan hun ongelovigheid dus ook niet zo veel doen. Ketters daarentegen zijn wel met het ware geloof bekend, maar weigeren zich ernaar te voegen. Sterker: zij zijn er niet alleen mee bekend, maar gaan veelal van dezelfde oerbron uit, die vervolgens alleen anders en afwijkend wordt geïnter­preteerd.
   Met dat laatste dreigt uiteraard de vanzelfsprekendheid van de 'ware' interpretatie, en in het directe verlengde natuurlijk ook het gezag van de zelfbenoemde hoeders van die ware interpretatie te worden onder­mijnd - en daarmee de afvalligheid in de toekomst nog eens verder te worden vergroot. Vandaar de krampachtige pogingen van geeste­lijke leiders om hun interpre­tatiemonopolie te behouden, de curieprelaten van het Vaticaan vooraan: zonder dat is het immers ook met de essenie van hun macht gedaan. Het is het gevecht dat de Congregatie van de Heilige Geloofs­leer al in de zestien­de eeuw in de ene helft van Europa van de protestan­ten verloren heeft, het gevecht dat zij nu ook in de andere helft aan het verliezen is, en het gevecht dat nu in Iran door een intellectuele voorhoede tegen een deel van de ayatollahs wordt gevoerd.
   Op een dieper psychologisch vlak vindt dit geloof aan één universele waarheid haar wortels in menselijke onzekerheid. De angst voor ketterij stoelt uiteindelijk op de angst dat men onder invloed van de argumenten van de ketters het met zoveel overgave beleden geloof in één universele waarheid zélf wel eens zou kunnen verliezen, een universele waarheid die voor velen het leven automatisch vermag te sturen, en op zoveel moeilijke levens­vragen over een door de traditie gelegiti­meerd pasklaar standaard­antwoord be­schikt. Hoeveel onze­kerheid kan een mens in het leven aan? Niet al te veel, zeker de gelovige niet, die zich zonder die sturende God in het Al verloren zou voelen - en des te ortho­doxer van geest die gelovige, tegen des te minder onzekerheid is deze geestelijk bestand.
   Ook daarin zijn alle godsdiensten in essentie één. Dat kwam recent in Neder­land nog eens aardig aan de oppervlakte op een ledencon­gres van de Staatkundig-Gerefor­meerde jeugd. Met ontwape­nende naïviteit bekende een van de aanwezige jongeren tegenover een journa­list van Elsevier dat zij al die pasklare antwoorden uit de bijbel wel zo geruststel­lend vond, omdat het haar zo moeilijk leek om over alles zelf te moeten naden­ken. Inderdaad is denken moeilijk. Kritiekloos volg­zaam blijven is veel makkelij­ker. In door islamiti­sche geestverwanten van de SGP geregeer­de landen wordt het laatste dan ook met het oog op de zielerust van de onderda­nen sterk bevorderd, en het eerste bij voorkeur afge­schaft. Niet voor niets omschreef Immanuel Kant tweehon­derd jaar geleden de kern van het pro­gramma van de Ver­lichting als de bevrijding van de mensheid uit de domheid van haarzelf.

De menselijke hang naar leefbaarheid
   Toch hebben veel samenlevingen in het Westen ook vóór de doorbraak van de Verlich­ting de uit die menselijke hang naar zekerheid voortvloeien­de neiging om anderen de eigen zekerheden op te dringen uiteindelijk over­leefd. Tegenover de opdracht tot geestelijke dictatuur waartoe elk geloofs­universa­lisme uit de aard der zaak neigt, staat de algemeen-menselij­ke drang tot matiging, het verlangen naar een bestaan in redelijke aangenaam­heid.
   De echte fanatie­ke­lingen vormen in de regel een minder­heid, de meeste mensen zijn geen scherpslijpers maar tenderen uit een zekere mate van gemakzucht in het leven van alledag naar tolerantie en souplesse. Voortdu­rend de buur­man met de bijbel in de hand de les moeten lezen is dodelijk vermoei­end, en het verzuurt elk menselijk samenzijn. Als men slechts met volledig gelijkge­stemden op vredige wijze weet om te gaan, blijft de mogelijkheid tot succesvol maat­schappelij­k functioneren zeer beperkt. Niet zonder reden sluiten de grootste waarheids­fa­naten zich zodoende vaak in kloos­terachtig van de overige wereld afge­zonderde communes op. Dergelijk ascetendom is voor de familie-doorsnee met haar aardse verlan­gens en aardse feilbaarheid evenwel niet weggelegd. Zij moet en wil in de onvolko­men wereld buiten de kloostermuren voort. Met het oog op de mogelijkheid tot de realise­ring van eigen materi­le en andere belan­gen, weten daarom de meeste mensen meestal wel op geëigen­de momenten de ogen voor ander­mans onvolkomen­heden te sluiten.
   Die noodzaak tot matiging bij de verkondiging van de eigen waarheid wordt sterker, naarmate men met complexer en pluriformer culturen heeft te doen. Ook het van oorsprong meest rabiate geloof zal zich snel ge­dwon­gen zien om de leer meer of minder aan het leven aan te passen om in een sterk geürbaniseerde omgeving, waar de geestelijke horizon door de omgang met mensen met andere overtuigingen een stuk wijder is dan op het geestelijk meer geïsoleerde platteland, de nodige aanhang te kunnen verwerven. Tole­ran­tie is aller­eerst een stedelijke kwaliteit, omdat steden als bovenloka­le markt­plaats van goederen en gedachten niet zonder belang­stel­ling voor het van buitenaf komende vreemde kunnen bestaan. Vandaar dat niet alleen een met succes geïntrodu­ceerde nieuwe gods­dienst op grond van haar morele waarheidspre­tentie een samenle­ving verandert, maar omgekeerd zo'n samen­le­ving het feitelijke karakter van die godsdienst evenzeer, zodat er al snel een discre­pantie zal ontstaan tussen de formulering van de oorspron­kelijke heilige tekst en de daadwerke­lijke toepas­sing daarvan. Vandaar dat het er in New York anders aan toe gaat dan midden op de prairie van New Mexi­co. Vandaar ook, dat eveneens de islam zoveel verschillende verschij­nings­vormen kent, als gevolg van het feit dat zij in de loop der eeuwen ingang vond in zo uiteenlopende gebieden als Suriname en Bosnië, Indone­sië en Marokko, Sub-Sahara Afrika en de slums van Istan­bul.
   Nog steeds onderscheidt de islam zich in het hete woestijnzand van Saoedi-Arabië door een op een nomadenbe­staan toegesneden rigiditeit. In de oude stedelijke culturen van Egypte, Libanon en Syrië, waar bovendien ook na de Arabische zegetocht in de zevende eeuw aanzienlijke minderhe­den van anders­gelovigen bleven bestaan, onderging zij al snel een metamor­fose, en nam zij in plaats van haar van oorsprong enghartig tribalistische, juist in tal van gevallen sterk kosmopoli­tische karaktertrekken aan. Nadat het eerste geloofs­vuur was gedoofd, kenmerkte het bewind van kaliefen en sultans ten opzichte van andere religies zich in de praktijk dienovereen­komstig veelal door een hoge mate aan verdraagzaamheid.
   Dat maakte het mogelijk om ook de antieke cultuur, zoals die in Alexan­drië en tal van andere oude metropo­len als erfenis uit de Byzantijn­se periode voor­handen was, in de eigen cultuur te incorporeren. Daarvan heeft uitein­delijk ook het christe­lijke Europa, waar het klassieke erfgoed in de donker­ste periode van de Middel­eeuwen grotendeels verloren was gegaan, later aanzienlijk geprofi­teerd. Hoezeer de islamitische elite zich buiten het Arabisch schiereiland als mede-erfgenaam van de Romeinse Oudheid begon te beschouwen, bleek in 1453 uit de doelbewuste overname van Constanti­nopel als hoofdstad voor het nieuwe Ottomaanse Rijk, dat - zeer symbo­lisch - ongeveer dezelf­de kerngebieden als het voorafgaande Byzantijn­se omvatte. Alleen met de poging om ook de vacant geworden keizerstitel te usurperen, viste de Turkse sultan uiteindelijk achter het net, omdat deze, tot die van tsaar verbasterd, naar het verre Rusland verdween.

Op het wrijvingsvlak van islam en christendom
   De door de Arabieren in de door hen veroverderde gebieden aangetrof­fen interne culturele en reli­gieuze veelvormigheid laat onverlet, dat de islamiti­sche wereld zich naar buiten toe ma­nifesteerde als een aparte beschavings­kring, die in beginsel wantrouwend ten opzichte van het Europese Avond­land moest komen te staan, en dat wan­trou­wen was wederzijds. Zowel voor de moslims als voor de christe­nen viel de mensheid nu eenmaal in gelovi­gen en ongelovi­gen uiteen. Door de christe­lijke Europeanen werd met name de aanvankelij­ke snelle expansie van de islamitische Arabie­ren, die pas door de Franki­sche hofmei­er Karel Martel in 732 bij Poitiers tot staan kon worden gebracht, als een bedreiging van de eigen cultuur gezien, gelijk de heidense Friezen zich een kwart eeuw later genoopt voelden drastische maatregelen te nemen bij de komst van Bonifa­ti­us.
   Het aan de islam verloren gaan van niet alleen Spanje, Noordafrika, Syrië en Egypte, maar ook en vooral van het Heilige Land zélf, waar zich het lijdens­ver­haal van Christus had afge­speeld, was voor zowel de Latijnse als de Griekse christenheid moeilijk te verkroppen, en lokte als tegenre­actie ten slotte op het laatst van de elfde eeuw, toen in Europa steeds meer verhalen over sche schending van de heilige christelijke plaatsen de ronde gingen doen, de Kruistochten uit. Het bloed­bad onder de moslims, waarin deze vervol­gens mede resulteerden, heeft de verhoudingen tussen beide religies daarmee voor lange tijd op scherp gezet, en de beeldvorming over en weer bepaald. Niet alleen dat Jeruzalem uiteindelijk voor de kruisridders onhoud­baar bleek, ook dat in 1453 het inmiddels voor de christenen nauwelijks minder heilige Constantinopel voor de Turkse overmacht capituleren moest, bracht in Europa een schok teweeg, en dat de Turken vervolgens in 1529 voor de poorten van Wenen opdoken, deed voor het in de voorgaande eeuwen weer iets aangesterkte christelijke zekerheids­gevoel ten opzichte van het islamiti­sche gevaar voorlopig de rest.
   Door al deze territoriale verschuivingen veranderde weliswaar de politie­ke constellatie van de daaraan onderworpen landen drastisch, maar in één ding resulteerde dit niet: in een volkomen islamisering van de door de Turken bedwongen streken, evenmin als dat eeuwen eerder de Arabieren was gelukt. Beide godsdienstig bepaalde beschavingen stonden zo niet als strikt afgeba­kende bolwer­ken gesloten tegenover elkaar, maar bezaten forse overlappin­gen in de grensge­bieden waar moslims en christe­nen lange tijd met elkaar moesten samenle­ven: de Balkan, Sicilië, delen van Spanje. En gedurende de perioden dat soms de strijdbijl tussen Kruis en Krom­zwaard even begraven was, fungeerde de Middel­landse Zee, die beide beschavin­gen scheidde, vanzelfspre­kend als het overslagter­rein voor materiële en immate­riële voortbrengselen van zowel de Europese als de Arabische kust. Geen van beide partijen bleek in staat de ander met behulp van de eigen God op de knieën te krijgen, en in het leven van alledag accepteerden velen dan ook uit aards eigenbelang de religieuze status quo, bij gebrek aan alterna­tief. Nadat met het succes­vol doorstane beleg van Wenen van 1529 het Turkse gevaar enigszins was geweken, promoveerde de sultan zelfs min of meer tot een - hoezeer ook in een wat aparte positie geplaatste - mede­speler in het interne Europese machtenspel.
   Dat laatste hing ten nauwste samen met het feit dat, ongeacht alle religieu­ze retoriek over ongelovigen en een uit hun handen te bevrij­den Heilig Land, de meeste conflicten van de koningen van Europa niet een verre moslimse medevorst betroffen, maar een hoogst christelijke gekroonde buur. Van de eersten ondervond men bij de realisatie van de eigen royale ambities in de praktijk immers weinig hinder, van de laatsten des te meer. De meeste oorlogen die vanaf de late Middeleeuwen in Parijs, Londen of Rome aan een vijand werden verklaard, golden geloofsge­noten, en vormden niet de militaire component van een botsing tussen beschavingen, maar van een botsing tussen belangen. Ruzies breken immers in de regel uit tussen personen die frequent met elkaar verkeren, niet tussen personen die leven met de rug naar elkaar toe. Alleen in de zuidelij­ke grenszo­ne van Europa, waar het Avondland de Arabische wereld raakte, lag dat anders: een botsing tussen belangen kon hier makkelij­ker als een botsing tussen beschavingen worden gezien, en zo als een botsing tussen beschavingen worden gelegiti­meerd.
   De Spaanse pogingen om de Reconquista, en zeker de veelvuldige Oosten­rijkse pogingen om de strijd tegen de Turken als een gezamen­lijk Europese onderneming, als een nieuwe kruistocht voor het geloof voor te stellen, op grond waarvan de keizer van zijn christelijke collegae bijstand meende te kunnen vorde­ren, droegen over het alge­meen weinig vrucht. Alleen toen Wenen in 1683 opnieuw zélf belaagd werd, konden de Habs­bur­gers op breder assis­tentie rekenen, want na een val van Wenen kwam ook de positie van de andere Europese koningen in gevaar. Maar op andere tijdstippen gold eerder het omge­keerde, en de Franse koning beschouwde, als grootste concurrent van de Habsburgers, de Turkse sultan veelal als een nuttige bondgenoot. Tot ontzetting van keizer Leopold I ontzag zich Lode­wijk XIV ook op de voor hem meest benauwende momen­ten niet om met de Verheven Porte te pacteren. Kruis­tochten, zo woof de Franse koning eens smalend de Weense bezwaren weg, waren sedert de dagen van Lodewijk de Heilige vier eeuwen terug toch echt uit de mode, en een religieuze gewetens­drempel voor een dergelijk samenspannen zag hij, zolang dit zijn eigen macht tot nut verstrekte, eigenlijk niet.
   Het voorgaande lijkt er op te duiden, dat tegenstellingen tussen bescha­vin­gen niet uit zichzelf voortdurend tot grootschalige conflicten hoeven te leiden - en zelfs samenwerking niet in de weg hoeven te staan - zolang die tegenstellin­gen tussen beschavingen niet gepaard gaan met hevige belan­gentegenstellin­gen. Indien dit wél het geval is, verleent de godsdienst aan die belangente­genstel­ling echter een extra legitimerende kracht en zo een ideologi­sche lading, die gevaarlijke ontploffingen kan veroor­zaken, omdat in dat geval het samenvallen van een botsing van belangen met een botsing van bescha­vin­gen door de betrokkenen als zo vanzelfspre­kend ervaren wordt.
   Deze perceptie wordt des te indringender, wanneer een van beide partijen de botsing als een existentiële bedreiging voor het eigen voortbe­staan ervaart. In zo'n geval zal snel de godsdienst van stal worden gehaald en tegen de vijand in stelling worden gebracht. Meer dan iets anders immers vermag religie een - in tijden van hoge nood geboden - absolute legiti­matie aan het eigen handelen te verschaffen, en bovendien ook aanvankelijk lakse geestver­wanten elders te mobiliseren: niet de positie van een toevallig vorst of volk, nee, de positie van het ware geloof, van de eigen beschaving is in gevaar!

De onvrede in de Arabische wereld
   Van een dergelijke situatie is vandaag in de ogen van veel moslims sprake, waar het de relatie van de Arabische wereld met het Westen betreft. De Amerikaanse acties in Afgha­nistan vormen voor hen een volgende schakel in een lange keten van westelijke bevoogding en bemoeizucht, die met de opdeling van het Ottomaanse Rijk en het daarmee verbonden Europese imperialisme tussen Atlas en Indus, maar eigenlijk al met de Kruistochten zou zijn gestart. Gevoed door een breed gedeeld minderwaar­digheidscom­plex, voortvloei­end uit het feit dat in een ver verleden juist de Arabische wereld over de superieure beschaving beschikte, en sedert twee eeuwen de verhoudin­gen volledig omge­draaid zijn, worden alle westerse activiteiten in het Midden-Oosten met diep wantrouwen beje­gend. Het christelij­ke Avond­land zou het, net als ten tijde van de Kruistochten, weer op het islamiti­sche Morgen­land hebben voorzien.
   Dit in decennia van onvrede geleidelijk opgebouwde gevoel van bedrei­ging doet velen hun moslimidentiteit intensiever beleven dan zonder deze intensie­ve westerse bemoeienis het geval zou zijn geweest. Zij vallen terug op de kern van het eigen geloof en verstarren dan in de funda­mentalistische variant daarvan, temeer daar de meer liberale inheemse elite veelal - juist op grond van die overeenkomstige relati­vering van het geloof - als een vazal van het Westen wordt gezien.
   Iemand immers moet het toch op zijn geweten hebben, dat de Arabische wereld niet meer die toonaangevende positie inneemt van duizend jaar geleden en in dat opzicht door de ooit inferieure christelijke ongelovigen is gepasseerd? Iemand immers moet er toch de oorzaak van zijn, dat de gelovige moslim niet op Aarde reeds de vruchten van zijn gelovigheid plukt, zoals zijn geloof die hem belooft? Waar het christendom in zijn eerste eeuwen maar moeizaam successen wist te boeken, een godsdienst van de armen en verdrukten was, aan wie ter compensatie van het aardse tranendal slechts een hemelse zaligheid na de dood in het vooruitzicht kon worden gesteld, daar was de islam al meteen na zijn ontstaan uiterst succesvol en zegevierend, zodat juist die aardse zeges en successen voor haar volgelin­gen de zichtbare blijken waren van de juistheid van het ware geloof. Als dan ettelijke eeuwen later die succes­sen en zeges steeds meer achterwege blijven, moet dat dus aan verzaking van de geloofs­waarheid te wijten zijn! En waar, zo zal menig rechtgeaard moslim vervol­gens redene­ren, valt die verzaking des geloofs meer te constate­ren dan bij de eigen machtheb­bers die, veelal verwes­terd en verwe­reldlijkt en in Oxford of Harvard opgeleid, zich uit machts­behoud al decen­nia lang aan het ongelovi­ge Westen hebben verprosti­tueerd?
   Die onmin met en afkeer van het Westen en de eigen verwesterde elite vertaalt zich in een groeiend fundamentalisme, dat aan de vele verpauperde massa's - en ook aan een beter opgeleide middenklasse die van haar oplei­ding als gevolg van de starre politiek-maatschappelijke structuren geen werkelijk profijt kan trekken - alsnog die voorspoed belooft die hen nu door de ver­kwanseling van het islamitische gedachte­goed zou worden onthou­den. De verbreiding van de religieuze waarheid en de daaraan nauwgekop­pelde ware religieuze levensvorm gaan daarbij vanzelfsprekend hand in hand: voor deze moslims valt het eigen geloof als vanouds onverbre­kelijk samen met een eigen beschaving. De recent in vliegtuig­kapingen omgezette vurig­heid waarmee de felste funda­mentalisten nu deze islamiti­sche bescha­ving met kracht aan de man probe­ren te bren­gen, roept vervolgens weer bij de aangevallenen de angst op dat daarmee hún bescha­ving onder vuur is komen te liggen, en door die fundamentalis­ten is dat uiteraard ook zo bedoeld.
   De beste verdediging van de eigen islamitische beschaving, die zij door de wester­se beschaving ondermijnd menen te zien, moet in hun ogen in een aanval in het hart van die westerse worden gezocht. Het Westen wordt daarbij zowel decadent als foutgelovig beoordeeld, en achter die westerse ondermijning van de islam met decadente middelen steekt voor hen, de Kruistochten indachtig, hernieuwde zendings- en veroveringsdrift van het christendom. Is daarvoor, zo laten de Bin Ladens dan ook niet na te bena­druk­ken, de ontwijding van de heilige Arabische bodem door hedonis­tisch-christelijke Amerikaanse troepen - en juist in Amerika gaan inderdaad het summum aan christelijkheid en het summum aan hedonisme een nauwe verbintenis aan! - alsmede de alsmaar voortdurende bezetting van Jeruzalem door joodse kolonis­ten met de niet aflatende zegen van de Verenigde Staten niet het beste bewijs?

Het Oosten vanuit westers perspectief
   In de ogen van het Westen leidt, omgekeerd, deze toenemend in schreeu­wende witte gewaden gehulde anti-westerse fobie tot de indruk dat ener­zijds de islam in zijn algemeenheid niet voor rede vatbaar is en thans de oorlog aan de buitenwereld heeft verklaard, en ander­zijds deze oorlog niet de speci­fieke Amerikaanse machtspositie in het Midden-Oosten geldt, maar de westerse beschaving als geheel. Deze oorlogsverklaring wordt door het Westen zelf vooral als een aanval op de open democrati­sche samenle­ving gezien, en niet meer als een aanval op het chris­ten­dom, omdat dit laatste door de leidinggevende elites intussen reeds lang niet meer als de politieke tegenpool van de islam wordt gedefi­nieerd. De centrale plaats die het christendom ooit ter onderscheiding van andere beschavingen in het westerse zelfbeeld vervulde, is inmiddels immers door de Verlichting ingenomen: in zekere zin door een gebrek aan godsdienst dus.
   Het moslim-funda­menta­lis­me wordt daarom nu, juist vanwege dat funda­mentalisme, dus meer vanwege de tweede dan vanwege de eerste compo­nent, als de vijand van de Verlich­ting beoordeeld, waarvan de ver­draagza­me denk­wijze de laatste twee eeuwen in Europa de oude gods­dienst­ijver steeds meer op de achter­grond heeft weten te dringen. Niet godsdienst en godsdienst, maar godsdienstijver en godsdienstige tolerantie meent men hier tegenover elkaar te zien staan, waarbij het eerste met een in het Westen al ver achter zich gelaten primitief verle­den, het tweede met de wereldwijd wenselij­ke toekomst gelijk wordt gesteld. Ook de Verlichting is immers enig univer­saliteitsdenken niet vreemd, alleen - en dat het is het wezenlij­ke verschil met de grote monotheïstische godsdiensten - maakt van haar als universeel gepresenteerde waarden tegelijk pluriformiteit de kerngedachte uit: niet door eenzijdige geloofsdictaten en verabsolutering van een specifie­ke waarheid, maar door relativering en open discussie wordt het best denk­bare bereikt. En juist dat maakt de essentie uit van de westerse beschaving, waarop haar welvaren is gebaseerd.
   Vanuit dit perspec­tief gaat het Washing­ton en West­minster - en Bush en Blair laten (ondanks dat hun persoonlijk een eigen vorm van christe­lijk missiona­ris­me niet vreemd is!) niet na dat te benadruk­ken -  niet zozeer om een aanval van de islam op het christendom, maar van de achter­lijkheid op de moderniteit. Die witte gewaden, die de funda­menta­listen bij de in strak maatkostuum gestoken gebruikelijke gespreks­partners van het Westen in het Midden-Oosten zo flodderig doen afsteken, dragen aan die beeldvorming niet weinig bij.
   Die moderniteit moet zich tegen die achterlijkheid verdedigen, in laatste instantie zelfs ten behoeve van de achterlijken zelf, die uit hun mensont­erende achterlijkheid moeten worden bevrijd. Met het oog op wat de huidige schutspatronen van Bin Laden in eigen land hebben aangericht, hebben de nieuwe wegbereiders van de Verlichting in Centraal-Azië zeker een punt. Waar de krachten der Duister­nis met moderne midde­len de Verlichting belagen, kan niemand de laatste het recht ontzeggen om hardhandig terug te slaan. Geen kruistocht voor het christendom, maar een kruistocht voor de moderne beschaving acht zij nu uit zelfbehoud geboden, en dat thans de bevrij­ding van Afghanistan van de Taliban op de agenda is gezet, is van die gedachte­gang het logische gevolg. Dat zich daarmee echter ook omge­keerd de moslim-fundamentalisten in hun gelijk bevestigd weten, spreekt voor zich: Amerika heeft het op de ware gelovigen voorzien, in een poging de islam voor eens en altijd uit te roeien, ter wegbereiding van het eigen christendom.

De toenemende verwevenheid van Oost en West
   Een dergelijke perceptie van de Amerikaanse politiek wordt door de toenemende verwevenheid van West en Oost, en de toenemen­de confronta­tie met de westerse welvaart aldaar dankzij televisie en toerisme, so wie so steeds verder versterkt. De voort­schrijdende mondia­lisering draagt ertoe bij, dat men sterker van de culturele eigenheid en van mogelijke bedreigingen daarvan bewust is geraakt. Konden beschavingen in vroeger eeuwen nog grotendeels langs elkaar heen leven, de huidige dominan­tie van het Westen, en daarmee van de westerse levensstijl, maakt dit niet langer mogelijk. Het ingevolge de westerse politieke en economische suprematie binnendrin­gen van vreemde normen en waarden in andere werelddelen resulteert, gezien het tempo waarin dit geschiedt, veelal in een snelle ontwrichting van eeuwenoude en door de eigen religie geheiligde traditionele samenlevin­gen.
   Omdat de materiële baten van die ontwrichting vrijwel uitslui­tend terecht komen bij de buitenlandse binnendringers en een kleine met hen samenwer­kende autochtone elite, doet dat de vele slachtoffers van dit moderniserings­proces, voor wie daarvan geen vruchten lijken te zijn wegge­legd, in een vijandige egelstelling verkrampen. Het roept bij hen de nodige haat tegen de ontwrichters in het leven, die uiteindelijk in een gewelddadige tegenreac­tie resulteert: if you can't join them, beat them. Waar de Amerikanen militair onverslaanbaar en langs deze weg dus niet uit de Arabische wereld te verdrijven zijn, lijkt de weg van de terroristische aanslagen, waartegen al die militaire superioriteit niet helpt, ter ontwrichting van de tegenpartij de meest aangewezen weg. Die is dan ook op 11 september door Bin Laden en de zijnen met tot dusver verbluf­fend succes ingeslagen. Zelden was de paniek de afgelopen halve eeuw in enig westers land zo groot.
   Door die toenemende verwevenheid oogst het Westen ook op andere wijze in zekere zin wat het eerst zelf heeft gezaaid. Met de ontdekkingsrei­zen was in de late vijftiende eeuw de expansie van Europa over de Aarde begonnen, die met het imperialisme van de negentiende eeuw zijn hoogte­punt heeft bereikt. In de twintigste eeuw sloeg dit proces in zijn tegendeel om: in het kielzog van de dekolonisatie vestigden zich vele Afrikanen en Aziaten in het voormalige moederland, toen de verhoopte opbloei van de nieuwe zelfstandige staten in Afrika en Azië uitbleef, later door grote hoeveel­heden Arabi­sche immigranten gevolgd. Kwamen de Europeanen voorheen naar de hele wereld, nu komt voortaan de hele wereld naar Europa toe. Het tweede was in zekere zin een onvermijdelijk gevolg van het eerste, en omdat de Verenigde Staten al sinds lang tot dat welvarende Westen behoorden, kreeg ook Washing­ton van al deze migratie­stromen een zeer omvangrijk deel. Dat dit sterk wordt verge­makke­lijkt door juist diezelfde moderne vervoersmid­delen die ook de komst van het Westen naar het niet-Westen vergaand de weg hebben helpen effenen, spreekt voor zich.
   Zowel het steeds verder binnendringen van de moderne westerse cultuur in andere beschavingen, als de daarmee teweeggebrachte verhuizing van niet-westerlingen naar de hartlanden van diezelfde westerse cultuur, brengt aan beide uiteinden van deze navelstreng veel gelijksoortige onrust bij de daar­door uit haar vertrouwde doen gehaalde autochto­ne bevolking teweeg. In niet-westerse landen zien vele leden van traditionele culturen zich door de onweerstaanbaar oprukkende westerse cultuur be­dreigd. In de westerse landen zien velen de westerse cultuur door de even onweer­staan­baar opruk­ken­de leden van traditionele culturen - ja, bedreigd. En hoe dichter men op elkaars lip zit, hoe sterker die bedreiging wordt gevoeld: fusie betekent immers ruzie. Op die gronden worden de uit deze onophoudelijk voort­schrij­dende - en met steeds intensiever contacten tussen uiteenlo­pende samenlevin­gen gepaard gaande - grootschalige maatschappelijke verande­ringsprocessen resulterende wrijvingen ter plekke al snel als een confronta­tie tussen culturen begrepen, en krijgt een hevig conflict tussen (groepen) staten uit deze culturen al snel in veler ogen het karakter van een botsing tussen bescha­vingen. In de belevenis van beide partijen staat, door de zojuist genoemde intensivering, het behoud van de eigen identiteit op het spel.

Het Westen vanuit oosters perspectief
   Die vrees voor het verlies van de eigen identiteit is uiteraard sterker bij de onderliggende dan bij de bovenlig­gende partij. Dit temeer, daar de universaliteitsclaim van de democratische waarden die het Westen zegt voor te staan, niet alleen door veel conserva­tieve moslims als in strijd met de islam wordt ervaren. Die claim bezit bovendien, en dat is op grond van hún historische ervaringen zeer begrijpe­lijk, in hun ogen ook op zichzelf weinig geloof­waardig­heid, omdat het Westen buiten de eigen beschavings­kring uit machts­politieke overwe­gingen vaak zelf die waarden liever even vergeet.
   Hoeveel dubieuze regimes, wier beleid weinig met democratie en men­sen­rechten heeft uit te staan, hebben met name de Verenig­de Staten niet de afgelopen jaren omwille van de olie door dik en dun gesteund? Is niet Amerika's belangrijkste bondgenoot in de regio, het feodale Saoedi-Arabië, zelf de kweekvijver van Bin Laden en consorten geweest? Zijn niet inder­tijd juist de meest fanatieke moedjahidien door de CIA geronseld om de Russen Afghanistan uit te vechten, in de weten­schap zij ook over de grootste vecht­lust beschikten, zodat Washing­ton nu met haar bombar­dering van de Taliban in feite de strijd aanbindt met haar eigen geestes­kind? Is niet ook Irak ooit vooral door de vijf permanente leden van de veiligheids­raad bewapend - dezelfden dus die nu de kern van de coalitie tegen het terrorisme vormen - omdat het toen even als een minder groot gevaar gold dan Iran? Hoe kan men over gerech­tig­heid spreken, waar de rechten van de Palestijnen al vijftig jaar door Israël, de ene VN-resolutie na de andere negerend, stelselmatig worden vertrapt zonder dat het Westen dat land tot de orde roept? Hoe kunnen nu Qaddafi en Assad, even tevoren nog als leiders van terroristi­sche schur­kensta­ten weggezet, plotseling als stabiele partners voor de wereldvrede worden omarmd? Hoe veel waarde, zo zal menig moslim den­ken, kan men hechten aan de op­recht­heid van een grote mogendheid die dit alles jarenlang liet gebeuren dan wel actief stimuleerde, en nu plotseling piept omdat er bij haar thuis twee hoge torens zijn inge­stort? Voor veel Arabieren moet om al die redenen dat wat Amerika nu, op 11 september wakker geschrokken, in de strijd tegen het terrorisme als verde­di­ging van de westerse bescha­ving betitelt, vooral als een verdedi­ging van westerse belangen worden gezien.
   Dit probleem, dat de ingezetenen van het Westen vooral de voordelen van die westerse beschaving genieten, en de politieke prijs daarvan vooral door niet-westerse landen laten betalen, doet zich ook in andere wereldde­len voor. Maar in het Midden-Oosten is de hoogte van die betaalde tol wel extra schrij­nend. Hier gaat namelijk, vanwege de evidente economische belangen van het Westen, de westerse bemoeienis het verst, en moet deze bemoeienis, omdat zij niet met de belangen van de gewone bevolking spoort, wel de meeste weerstand oproe­pen. De corrupte antiek-feodale, of modern-autocra­tische regimes die hier met Amerikaanse steun in het zadel worden geh­ouden, bekommeren zich immers slechts om hun eigen rijkdom en macht. Opposi­tie wordt er niet geduld, veelal met stilzwijgende goed­keu­ring van Was­hington, omdat deelhebben van de Arabische bevolking aan de oliebaten de olieprijs op zal drij­ven, en daar­mee komt de vooral uit ontremde benzine­con­sumptie be­staande American way of life direct in gevaar.
   Een intussen vrij hoog opgeleide Arabische middenklasse krijgt, ten gevolge van de politieke achterlijkheid van de heersende regimes en het achterwege blijven van economische groei, geen kans om haar intellectuele kapitaal in maat­schappelijke welvaart om te zetten, en ziet zo haar weg naar een betere toekomst versperd. Zocht zij in vroeger jaren haar heil veelal bij een democrati­sche, seculiere, overwegend links geori­nteerde oppositie, deze is intussen in de meeste landen door de autocratische machthebbers verbo­den en hardhandig onderdrukt. De enige politieke vrijplaats die is overgebleven, is zodoende de moskee. Die kan immers in Caïro of Karachi moeilijk worden verboden.
   Daarbij kwam nog iets. Voor veel moderne Arabieren gold de Verenigde Staten, met haar oorsprong als vrijgevochten kolonie, na de Tweede Wereldoor­log als een medestander in de strijd voor zelfbeschikking, maar dat krediet is reeds lang opgebruikt. Voor veel moderne Arabieren gold daar­naast en daardoor de Verenigde Staten ook als een voorbeeld van een staat van welvaart en welzijn die zij, door scholing aan westerse universi­teiten, zelf eveneens hoopten te kunnen bereiken. Niet voor niets staken velen de Atlantische Oceaan over om ginds een nieuw bestaan op te bouwen. De houding van de seculiere Arabieren ten opzichte van Amerka wordt daar­door door een zekere twee­slachtigheid bepaald: enerzijds de wens om erbij te horen, anderzijds de wens om zichzelf te blijven. Afhan­kelijk van de wijze waarop de Amerika­nen optreden geeft nu weer eens het een, dan weer eens het ander de doorslag, en de Arabische kritiek op Amerika wordt zodoende voor een deel zeker ook door afgunst bepaald.
   Waar evenwel elke poging om vooruit te komen door de immobie­le verhoudingen in eigen land wordt gefrustreerd, waar die wens om erbij te horen steeds op­nieuw onhaal­baar blijkt, daar slaat jaloezie om in haat. Dan is de even eerder als trendy druk bezochte ham­burgertent een bruggenhoofd van westers imperialisme gewor­den, dat de Arabieren van hun eigenwaarde berooft. Dan is die eerder vanwege zijn uitdagende erotiek zo populaire jeans plots een vorm van decadentie, en horen vrouwen om geen hoeren te zijn als spoken over straat te gaan, en voor de rest thuis achter het fornuis. Dan worden velen noodge­dwon­gen trots op het enige wat hen, als de beschaving waaruit zijzelf zijn voortgekomen, kennelijk over­blijft: de islam, en dan het liefst in zijn meest authentieke en zuivere vorm. Dan wordt men trots op hetgeen men in het Westen als achterlijk veracht. Dan wordt men daarop trots, juist omdat men dat in het Westen als achterlijk veracht. Waar de begeerde vruchten van Verlichting en vooruit­gang, van de westerse moder­niteit, steeds buiten handbereik blijven, daar sluit men zich op in de eigen achterlijkheid.
   Dan wordt de islam de bril waardoor men de hele wereld beziet. Dan worden andere godsdiensten, en daarmee andere beschavingen, tot de grote duivelse vijand, tot de Grote Satan verklaard, eens te meer wanneer zo'n andere beschaving de eigen al buitengewoon ver blijkt te hebben gepene­treerd. Dan is de Amerikaanse militaire aanwezigheid in de Golf niet alleen gegrond op economische belangen - die gelden dan als secundair. Die zijn dan, in de ogen van de funda­mentalisten, een voorwendsel, een afgeleide geworden van dat waarom het het (afwisselend als christelijk en ongods­dienstig gescholden) Westen op zijn nieuwe kruistocht zou zijn te doen: de bezoe­de­ling van de heilige plaatsen, de vernedering en ontering van de islam. In die context krijgt dan vervolgens het hele Isra­lisch-Palestijnse conflict een ideologi­sche lading, die het zonder het funda­mentalisme, en zonder de vóórtdurende armoede en zonder de olie, vermoe­delijk als zelfstandige kwestie nooit zou hebben gehad.

Botsende beschavingen versus botsende belangen
   Omdat belang en beschaving zo door elkaar lopen, is de tegen­stel­ling zoals die sinds 11 september tussen het Westen en de Arabieren dreigt te ont­staan, extra explosief. Het gevaar bestaat dat ingevolge Amerikaans optreden in Afghanistan alle Arabie­ren verder op een hoop worden gedre­ven, en zij in steeds groter getale de huidige wijze van terrorismebestrij­ding als een aanslag op de islam gaan zien. Waar hier door ondoordachte retoriek een botsing tussen beschavingen dreigt, is het de voornaamste opgave om dit juist te voorkomen.
   Op korte termijn is daartoe het behoud van de steun van het gematigde deel van de moslims een eerste vereiste, opdat de strijd tussen Bush en Bin Laden niet - zoals laatstgenoemde graag wil - in een godsdienstoorlog ontaardt, maar een gevecht blijft tussen een geordende moderne samenle­ving (van welke religieuze kleur ook) en gewelddadige anarchie. Om die steun te behouden en duidelijk te maken dat het Westen hier niet slechts eigen materiële belangen verdedigt, zal er minder met twee maten gemeten moeten worden en meer aandacht voor gerechtvaardigde Arabische grieven moeten zijn - en dat betekent allereerst het afdwingen van wezenlij­ke Israëlische concessies ten bate van een blijvende vrede in het land van Jeruza­lem.
   Verder is het nodig dat een veel substantiëler deel van de Arabische bevolking deel krijgt aan de nu met westerse zegen bij een kleine elite geconcen­treerde politie­ke macht in eigen land, ook al drijft dit de olieprijs ongetwijfeld op. Tegelijk zal echter, om het gevoel van bedreiging van de eigen cultuur dat bij velen in het Midden-Oosten bestaat weg te nemen, en daarmee een botsing tussen beschavingen te vermijden, ook door het Westen terug­hou­dendheid betracht moeten worden bij het stellen van economi­sche voor­waarden aan andere volkeren die als van buiten opgeleg­de plicht tot overhaaste modernisering binnen de kaders van een traditionele samenle­ving wel moeten leiden tot een angst en haat jegens het Westen oproe­pen­de ontworteling van velen en tot ontwrich­ting van de hele maat­schappij. Anders krijgt Huntington met zijn voorspelling dat toekomstige oorlogen botsingen tussen beschavingen zullen zijn, misschien alsnog gelijk.

Thomas von der Dunk, 4 november 2001