VVD MOET KEUZE VOOR HOOFDDOEK RESPECTEREN

   Van de drie beginselen van de Franse Revolutie vormt 'vrijheid' het moeilijkst te definiëren begrip. De beste illustratie daarvan levert dezer dagen een fractienotitie van de VVD, waarmee zij de vrijheid van immi­granten verregaand wil beperken door haar eigen invulling van vrijheid dwingend aan hen op te leggen. De VVD blijkt inmiddels zozeer in de greep van een moslimfo­bie te zijn geraakt, dat zij nu een mate van over­heidsbe­moeienis voorstaat die tien jaar eerder nog als socialisti­sche staats­op­voe­ding zou zijn verket­terd.
    Men schijnt bij de VVD heel exact te weten hoe men moet leven om voor het predikaat 'ingeburgerde Nederlander' in aanmer­king te komen. Zoals het Oostenrijk van Maria There­sia een aparte zedelijk­heids­politie kende om ook binnenshuis de handhaving van de katholieke kuis­heidsmo­raal te bewaken, zo moeten wij straks een soort taalpolitie krijgen die contro­leert of de allochtone jeugd thuis wel keurig met twee woorden Neder­lands spreekt.
   Ook de Franse jacobijnen wisten hoe elke oprechte burger denken moest - gij zult verlicht zijn, of gij zult niet zijn, en voor de laatsten restte dan de guillotine. Daartegenover stond in de tijd van Maria Theresia het Pruisen van Frederik de Grote waar iedereen maar op zijn manier zalig worden moest, maar het relativisme van Fre­derik is bij Van Aartsen & Co nu ingeruild voor het absolu­tis­me van Robe­spierre: democra­tisch inburgeren per decreet.
    Het verlichtingsideaal botst hier op het vrijheidsideaal, dat de VVD ook innig zegt te koesteren. Vrijheid betekent immers dat men aan anderen de ruimte laat om keuzes te maken die men zelf nooit zou maken, in de wetenschap dat ook de eigen keuzes geenszins universeel zaligma­kend, maar in alle opzichten tijdgebon­den zijn. Vrijheid betekent daarmee ook dat men niet alles waar men zelf niet van houdt, meteen verbiedt. De enige randvoorwaarde is, dat de vrije keuze die iemand maakt, niet ander­mans vrijheid om zijn eigen keuzes te maken bedreigt. Zo zien sommige islamiti­sche meisjes in het hoofddoekje van anderen een bedreiging van hun eigen vrijheid om er geen te hoeven dragen, met het oog op toenemende sociale dwang.
   Daarin ligt de kern van het multiculturele vraagstuk besloten: de rol van de omgeving. Want wat is vrijheid? Dat de sociale vrijheid in het Westen in onze opinie veel groter dan elders is, komt omdat wij vooral vrij zijn om te doen wat wij hiér 'als belangrijk zien. En omdat wij in overgrote meer­derheid dezelfde vrijheden belangrijk vinden, ontbreekt ook de omgevings­druk die ons bij dié vrijheden zou kunnen hinde­ren. Dat is logisch, omdat wijzelf het product van die omgeving zijn, die een bepaalde vrijheidsbeper­king niet als zodanig ervaart.
   Maar mocht iemand plotseling iets willen dat haaks staat op wat zijn meeste medemensen willen en dus als 'normaal' beschouwen, dan blijkt ook bij ons de vrijheid plots heel beperkt. Verschijn maar eens als minister-president naakt op je werk - een Maori zou er niet opgewonden van raken, maar bij ons komt dan beslist de hele vaderlandse pers.
   Kortom, wat is vrijheid? Laten wij aan allochtonen over om te bepalen welke vrijheid zij belangrijk vinden, ook als wij dat als een vorm van onvrijheid zouden beschouwen? Of moet de staat dan interve­niëren, onder het motto: bevrijd degenen die zich nog zelf niet bevrijden kunnen omdat zij niet weten wat vrijheid is? De VVD wil de emancipatie van moslima's van boven afdwingen, omdat hun 'keuzes' niet vrijwillig zijn.
   Het punt is dat álle maatschapelijke keuzes zelden volkomen vrijwil­lig zijn, omdat individueel gedrag altijd sterk door de omgeving wordt gecon­ditioneerd - dat begint al bij de rage van merkle­din bij pubers. Als het volgen van je eigen wil je isoleert van degenen waar je bij wilt horen, dan zul je de wil van je omgeving al gauw als je eigen mening zien, omdat niemand geluk­kig kan worden bij het idee dat hij bepaalde handelin­gen dag in dag uit slechts onder grote dwang verricht. Dat geldt echter niet alleen voor moslim­vrouwen die verklaren vrijwillig een hoofd­doek te dragen, maar evenzeer voor de lange rokken van gerefor­meerde meisjes of de pijpenkrullen van joodse jongens.
   Maar de vraag, hoe vrij iemand is als een andere keuze uitstoting uit de eigen groep betekent, kan in beginsel bij iedereen worden gesteld: ieders feitelijke vrijheid tot handelen wordt altijd in hoge mate meebepaald door de sociale risico's die hij bij afwijkend gedrag loopt. Iemand die met zijn strenggelovige achtergrond breekt, zal snel een groot deel van zijn kennis­sen­kring verliezen. Maar geldt dat niet ook voor iemand uit een buitenker­kelijk milieu die zich tot Jehova's ­getuige bekeert?
   Wie bezit hier de vermetelheid om voor anderen te bepalen wanneer zij werkelijk vrij zijn om te willen wat zij willen? Je moet wel zeer overtuigd zijn van je eigen unieke gelijk om die stap tot dwang uit naam van een Ware Vrijheid te zetten. Zo'n overtuiging lijkt mij eerder thuis te horen bij de SGP dan bij een Volkspartij voor Vrijheid en Democratie.

Thomas von der Dunk, 24 februari 2004