BURQA HOORT NIET THUIS IN VRIJ LAND
Godsdienstvrijheid is niet onbeperkt

   Moet de burqa op de openbare weg verboden worden? Een kleine Kamermeerderheid van CDA, VVD en LPF is geneigd dit standpunt, als geformuleerd in de aange­nomen motie van Geert Wilders, te onderschrij­ven. Minister Verdonk zal laten onderzoeken in hoeverre dat ook wettelijk haalbaar is en niet met wezenlijke grondrechten botst. De mogelijke juridische complicaties daargelaten, ben ik geneigd het ditmaal met deze meerder­heid eens te zijn.
   Vooropgezet dit: ik moet over het algemeen weinig hebben van de hijgerige, zo niet hetzerige aanpak van de inburgeringsproblematiek die onder invloed van het Fortuynisme in Nederland mode is geworden. In de opwinding over te hoge mi­naret­ten kan ik niet delen - wat aan kerkgebou­wen is toegestaan, is dat ook aan moskeeën. Gelijkheid voor de wet. De precieze esthetische randvoorwaar­den zijn een vraagstuk voor gemeentebe­sturen, die met het tolereren van monsterlijke bedrijfsparken en drie maal zo hoge schreeu­werige kantoorko­los­sen in onze binnensteden heel wat meer boter op hun hoofd hebben dan zij daar ooit zullen kunnen verzame­len met het toelaten van alle minaretten waar­voor de komende honderd jaar nog bouwaanvragen te verwachten zijn.
   Ook van de geweigerde hand van Verdonk wordt ik niet geweldig warm of koud. Streng-orthodoxe joden weigeren vanwege een soortgelijke vrees voor zinneprikkeling even­eens vreemde vrou­wenhanden te schudden. Omgekeerd schijnt onze premier een kleine cursus gehad te hebben om te leren hoe hij in het Midden-Oosten al te innige omstren­gelin­gen met sexege­noten kan vermij­den, mede met het oog op de gevoe­lens van me­vrouw Balkenen­de en haar opvattingen omtrent echtelijke trouw. Dus ons 'respect' voor omgangs­nor­men elders is ook niet altijd even groot. In beide gevallen betreft het vrij toevallige conventies. En het mag dan wel als een affront gelden dat die imam e­en vrouwenhand weiger­de, toen Lub­bers zijn hand op een wat laag uitgevallen vrouwen­schou­der legde, werd juist dát als onwel­voeglijk be­schouwd. Welke handdruk precies als beleefd, en welke nu net als erotise­rend be­schouwd wordt, is echter tame­lijk willekeu­rig.
   In de fameuze hoofddoekjeskwestie tenslotte kan ik slechts in beperkin­gen van overheidswege meegaan, waar het om de overheid zelf gaat. Voor de rest heeft zij met de manier waarop inwoners zich kleden in beginsel niets te maken. De gezags­dragers van de staat - politieagent, leden van de rechterlijke macht enz. - dienen echter neutraliteit uit te stralen. Het zijn precies die beroepen, waarin men daarom ook een uniform draagt, en dus de persoonlij­ke reli­gieuze opvattin­gen onderge­schikt maakt aan het dienen van de gemeenschap als geheel. Die beperking van deze uitingsvrijheid heeft niets met discriminatie te maken - zij geldt voor joden en christenen evenzeer, die hun keppeltjes en lange rokken onder dienst­tijd ook thuis moeten laten. Het docen­tencorps in het (openbaar) onder­wijs vormt, vanwege de voorbeeldfunctie in een ongelijke machtsrelatie, een twijfelge­val. Maar nonnetjes brachten het in elk geval nooit tot politiea­gent.
   Bij de burqa gaat het echter om iets wezenlijk anders. Burgers van een vrij land dienen elkaar recht in de ogen te kunnen kijken overal waar zij zich in de openbare ruimte begeven, en niet als zwarte spoken over straat te gaan. Dat is fundamenteel strijdig met het moderne westerse denken dat burgers als aparte individuen behandelt en dus ook als zodanig wil kunnen herken­nen en onderscheiden - en niet als de persoonloze klonen van een bepaal­de sexuele soort. Dat moge een beperking van de godsdienstvrij­heid beteke­nen, maar die is niet onbeperkt. Het recht op anonymiteit moet in dat opzicht haar grenzen kennen. Ook op het oog op de veiligheid is dat niet zonder belang. Wat is de zin van camera's, als elke potentiële terrorist zich zo legaal onzichtbaar maken kan? Bivakmutsen zijn in bankgebouwen om begrij­pelijke redenen voor klanten ook niet toegestaan.
   Ongetwijfeld zitten er praktische haken en ogen aan, en het ware sowieso beter om niet van een burqaverbod, maar van een maskeerverbod te spreken. Tegenstanders zullen op inte­graalhelmen van motorrijders, of op carne­val en Sinterklaas wijzen. Maar is een wezenlijk verschil tussen een eenmalige feestvermomming voor een speciale gelegenheid, en bewuste on­herkenbaarheid voor altijd. En een motorhelm draagt men alleen in specifie­ke situaties om zich tegen letsel te wapenen, niet om zich van de blikken van medeburgers te vrijwaren. Niet voor niets verbiedt menige plaatselijke politieverordening die bij demonstraties evengoed als een bivakmuts. Dat moet ook in landelijke wetgeving te vangen zijn.
   Tenslotte nog twee andere frequente tegenwerpingen: het zou maar om weinig vrouwen gaan, en het sluit de pertinente burquadraagsters al dan niet vrijwillig op in hun eigen huis. Wat het eerste betreft: men kan iets verwer­pelijks beter in een beginstadium verbieden, dan wanneer het gemeengoed geworden is. Terroristische samenzweringen komen in Nederland zelden voor, maar zijn desondanks uitdrukkelijk verboden.
   En wat het tweede be­treft: niets is natuurlijk zo problematisch als de 'vrije wil'. Maar als een man zijn vrouw thuis opsluit omdat zij van hem niet ongeslui­erd over straat mag, is er sprake van wederrechtelijke vrij­heidsberoving. Dan dient de overheid ge­woon tot vervolging over te gaan.

Thomas von der Dunk, 22 december 2005