OVER DE OMGANG MET VREEMDE CULTUREN
VAN AUTOCHTONE EN ALLOCHTONE OORSPRONG

   Al geruime tijd worstelt de Europese sociaal-democratie met haar omgang met niet-Europese volkeren, zowel binnen als buiten het eigen conti­nent. Zij wordt heen en weer geslin­gerd tussen twee tegenstrijdi­ge sentimen­ten, waar­tussen zij niet vermag te kiezen. Enerzijds koestert zij haar mondi­ale solida­ri­teits­ideaal, dat op grond van haar streven naar een rechtvaar­diger verdeling van aardse rijkdommen van haar vordert niemand op Aarde een evenredig aandeel aan de westerse wel­vaart te ont­zeggen. Ander­zijds bestaat er het besef, dat een dergelij­ke drastische herverdeling, gezien de bestaan­de welvaarts­verschil­len, een gevaar vormt voor de welvaarts­staat, zoals deze in de afge­lopen eeuw in Westeuropa is opge­bouwd, en dus een gevaar voor de materiële positie van haar traditionele achterban.
   Daarbij komt als tweede probleem, dat de mondiale migratiestromen, waartoe deze welvaartsverschillen uitnodigen, de sociaal-demo­cratie niet alleen steeds sterker met de ver­wachtin­gen van niet-Europese volkeren con­fron­teren, maar ook met niet-Europe­se culturen in Europa zélf. En met die confronta­tie worstelt zij zo mogelijk nog veel meer. Haar vrijzinni­ge instelling om eigen keuzes te respecteren, dus mensen ­in hun culturele waarde te laten, botst met haar klassieke streven, mensen uit de beper­kingen van hun sociale omstandig­heden te bevrijden - sociale omstandighe­den, die vaak sterk door cultu­rele facto­ren worden bepaald. Sociale bevrijding en emancipa­tie betekenen daarmee veelal ook cultu­re­le bevrijding en eman­cipatie, welke zich per definitie met het respect voor overge­leverde culture­le eigen­heid slecht ver­draagt. De vele Turken en Marokkanen die zich de afgelopen decennia in ons midden gevestigd hebben, en waarvan een niet te verwaarlozen aantal daarbij politiek-culturele opvat­tingen meebracht die met de onze op gespannen voet staan, maken de kwestie nu extra actueel.
   Ge­tuigt het respecte­ren van de cultuur van mensen die afwijkt van de onze, dus ook het respecteren van aan zo'n cultuur geregeld ten dele inhe­rente zaken als de onderge­schikte plaats van vrouwen, uithuwelij­kingsprak­tijken, eer­wraak en be­snijde­nisritue­len, ook van respect voor de mens in die cul­tuur? Binnen de normen van die cultuur geldt anders gedrag, gedrag dat wij als eman­cipatoir (en dus als ge­wenst) zouden betite­len, veelal als amo­reel. Zoals dat in de onver­lichte dagen van vóór de Franse Revolutie ook in Europa voor veel gold, wat wij inmiddels als normaal zijn gaan beschouwen: de gelijk­heid van man en vrouw, de vrijheid om het eigen geluk na te streven, de on­schend­baarheid van de lichame­lijke inte­gri­teit, het onbe­perkte recht op deelna­me aan de samenleving naar gelang de eigen talenten dit mogelijk maken, daarmee de prin­cipiële toe­gankelijkheid van alle ambten en beroepen voor alle bur­gers, ongeacht geloof, sexe of ras, het koningsambt in een enkel monarchaal reservaat slechts uitgezonderd; ook de schei­ding tussen publiek en privé tenslot­te, hoezeer deze door Privé en aanver­wante bladen de laatste decennia weer enigs­zins onder druk mag zijn komen te staan. Al deze zaken zijn zo normaal geworden, dat wij ons nauwelijks meer kunnen voorstel­len dat daarover anno 2000 ook heel anders zou kunnen worden gedacht. Gelijkheid en vrijheid vormen voor het leeu­wendeel van de autochtone Neder­landers de grondslag van het politieke bestel en bestaan. Maar de dagen dat suffra­gettes als ont­aarde kenauen en socia­listen als goddelo­ze oproer­kraai­ers moreel werden kalt­ge­stellt, omdat zij voor de sacrosancte mascu­liene maat­schap­pijordening inzake coïtus, koffiezet­ten en kapitaal te weinig respect toonden, liggen nu ook weer niet zo ver achter ons.
   Is daarom het fameu­ze hoofddoekje een teken van cultu­reel zelfbe­wust­zijn, dat als een keuze geëer­biedigd moet worden, of een teken van een vorm van maat­schappelijke onder­worpenheid die geens­zins stimu­lering ver­dient? Hoe 'ei­gen' is de keuze van de leden van een bepaal­de cultuur? Of is er vooral sprake van een gebrek aan keuzes, of, meer nog, sprake van een gebrek aan besef dat er zonder in immoreel gedrag te vervallen op specifieke wezenlijke punten keuzes zouden kunnen zijn? Kan men mensen tegen hun 'zin' bevrijden, zeker als een notie van deze on­vrijheid ontbreekt? Voor het ontstaan van die notie is immers een zeker rela­tive­ringsver­mogen van de abso­lute waarde van overge­leverde normen en patronen, en daarvoor een rationalise­ring van de kijk op de eigen le­vens­wijze nodig. En juist het ontbre­ken van dit relative­rings- en ratio­naliserings­vermo­gen is inhe­rent aan tal van niet-westerse culturen, die aan hun van generatie op generatie overgeleverde en daarmee vertrouwde samenle­vingsvorm een min of meer goddelijke norm ten grond­slag menen te zien liggen.

   Indien ergens, dan is het beroemde woord van Immanuel Kant over de bevrijding uit de door mentale tradities afgedwongen onmondig­heid van de mens hier wel relevant. Modernise­ring betekent Verlich­ting, onttovering, rationalise­ring van het bestaan, en daar­voor de afbraak van oude 'sacra­le' sociale normen en gebruiken, waar­naar men zich, zonder op het idee te komen om hun juist­heid in twijfel te trekken, gewoontege­trouw eeuwen­lang heeft gevoegd. Niet voor niets vormen welvaart en westers als begrip­penpaar bijna een tautologie, omdat de welvaart in het westen geen toevallig resultaat van even toevallig tege­lijk optredende maatschappe­lijke factoren is. Integendeel: die maat­schappe­lijke facto­ren vormen een basis­voorwaarde voor het ont­staan van die westerse welvaart.
   Zonder de veelal met moeite op Kerk en Kroon bevochten, maar tevens juist door de onderlinge concurren­tie tussen een veelheid aan kerken en kronen be­reik­te denk- en experimen­teervrijheid van humanisme en renais­san­ce in de zestiende eeuw was er geen wetenschap­pelijke revo­lutie in de zeven­tiende. En zonder deze was er evenmin een Verlichting in de acht­tiende eeuw, een Verlichting die traditionele normen en waarden niet langer meer accepteer­de op grond van hun blote bestaan sind­s vele honderden jaren, maar aan de hand van de rede op hun geldigheid, bruik­baarheid en wense­lijkheid toetste, en om die reden steeds weer opnieuw toetsen moest.
   Pas op basis daarvan was het moge­lijk te (h)er­ken­nen dat het bezit van voorouders van koninklijke bloede als zodanig nog niet het bezit van de re­geermacht bij hun nazaten kan legiti­me­ren, omdat die naza­ten met dit vorstelij­ke zaad niet ook automa­tisch een even royale portie aan regeercapa­biliteit in hun genen hebben meegekre­gen - en daarmee was op ter­mijn de weg vrij voor de parlemen­taire democratie. Pas op basis daar­van was het moge­lijk om de ooit zo straffe standen­hiërarchie, waarbij ieders plaats in de samen­leving op grond van geslacht en geboorte al bij het eerste levenslicht vast lag, te doorbre­ken. Pas op basis daarvan was het mogelijk om achter rang en stand de individu­e­le mens met zijn individu­ele talenten te herken­nen, waarvan de ongehinderde ontplooiing de samenleving als geheel steeds meer ten goede zou komen. Pas op basis daarvan was het mogelijk om tot een vorm van princi­pieel pluralisme te komen, op grond van de notie dat er niet één eeuwiggeldende morele Waarheid bestaat, voor­gedrukt in Thora, Koran of Bij­bel, maar dat bruikbare normen naar tijd, plaats en omstandighe­den verschillen, dus histo­risch en geo­grafisch bepaald zijn, en dat een humane samenle­ving voor alles verdraagzaam­heid voor het afwijkende vergt.
   Verdraagzaamheid voor het afwijkende, omdat de ervaring leert dat onverdraagzaam­heid veelal tot weinig welvaartbevor­deren­de verwoesting leidt - of we vandaag de dag nu naar de Balkan, de Kaukasus of de Molukken kijken. Maar ver­draagzaam­heid óók omdat juist het afwijkende en onge­wone in het verle­den vaak niets anders was dan de voor­naamste bron voor maat­schappelijke innovatie en daarmee de voorbode vormden van het spoedig normale en gebrui­kelij­ke, dat de westerse samenle­ving dankzij de aldus gegene­reerde materiële welvaart op het hoge plan van maat­schappelij­ke vrede en voor­spoed heeft ge­bracht, waarop zij zich nu be­vindt. De opvattingen van Galileï, New­ton, Darwin en Freud waren ooit even­eens ongewoon en afwijkend, want dat zijn belangrijke innovaties uit de aard der zaak meestal. Zonder verandering per definitie ook geen verbe­te­ring, en zonder de vrijheid tot bekritisering van het be­staan­de zodoende evenmin de vrijheid tot schepping van iets nieuws. Gezien de dominante betekenis van religie als norme­rende factor in veel samenlevingen betekent dat in de regel ook vooral: hoe meer theologi­sche tole­rantie en minder theolo­gi­sche taboes, hoe meer ruimte voor experimen­ten en hoe beter het ook in maatschappelijk opzicht gaat. Zonder Verlichting geen voor­uitgang.
   Om dat te beseffen, moet men echter wel een kind van die Verlichting zijn. Voor de onverlichten blijft die samenhang tussen denk­vrijheid en welvaart in de diepste betekenis van het woord onbegrijpelijk. Waar die onverlichten bovendien vaak in de veronderstel­ling verkeren, dat het strict vasthou­den aan de eigen culturele waarden uit het verle­den, waaronder niet in de laatste plaats aan de eigen godsdienst als aan het enige ware geloof, door Hogere Machten als blijk van morele hoog­staand­heid ook mate­rieel beloond zal worden, is deze samen­hang, met het oog op de alge­he­le wes­terse secula­risa­tie en de toene­mende onkerkelijkheid in Europa, die zij op grond van hun waar­denpa­troon als blijk van moreel verval moeten duiden, boven­dien ook ongelofe­lijk.
   Hoogmoed, zo wil immers al minstens sinds de dagen van Icarus de moraal, komt voor den val. Maar ofschoon in niet-westerse ogen de hoogmoed in het Westen, zich uit norm­loosheid in ontzag voor God noch gebod vertalend, ongeken­de hoogten heeft bereikt, moeten deze ogen tegelijk constate­ren, dat niet alleen de beloofde val alsmaar uit­blijft, maar de vlucht ook steeds hoger gaat, terwijl men er zelf maar niet in slaagt om van de modderige grond los te komen.
   Dit te moeten vaststellen is voor veel adepten van andere culturen, die enerzijds jaloers zijn op de westerse welvaart, maar tegelijk - uit begrijpelijk zelfrespect - hun eigen traditionele waardenpatroon als basis van hun eigen identiteit willen behouden, zeer pijn­lijk. Erop te wijzen, dat één van de belangrijkste obsta­kels voor het berei­ken van die welvaart juist in die eigen identiteit op basis van het eigen traditionele waarden­patroon gelegen is, is nog veel pijnlijker. Het is niet minder pijnlijk voor degenen, die op grond van hun tolerante opvattingen en hun notie om­trent zelfbe­schikkingsrecht ook niet aan ande­ren willen voor­schrijven hoe zij te leven hebben. Jeder soll nach seiner Fasson seelig werden, luidt al sinds Frederik de Grote voor vele verlichte geesten in onze contrei­en het adagi­um. Het weinig aantrekkelijke alternatief is nu eenmaal de aanpak van de Jaco­bijnen gedurende de Franse Revolutie met hun in de Terreur uitmondende verlichtingsdwang, waarbij het oude kerke­lijke elfde ge­bod - gij zult hoe dan ook geloven - slechts met het woordje 'niet' werd uitge­breid.
   Maar langs die tolerante weg van Frederik komt mis­schien wel voor velen we­reld­wijd de psychi­sche zalig­heid binnen hand­bereik, maar de physie­ke, waarvoor die­zelfde velen een zekere mate van welvaart min of meer onont­beerlijk achten, nog niet. Vrij­wel ieder­een wil vanwege die welvaart bij het westen horen, maar velen willen dat zonder westers te zijn. Dat begint overigens al bij Roeme­nië, waarvan menig ingeze­tene thans de West­euro­pese wa­ren­ welkom heet, maar de Westeuro­pe­se waar­den wil weren, onder het motto: geeft ons Uw geld, maar be­spaar ons Uzelf.

   Deze constatering stelt de sociaal-democratie, klassiek eman­cipator op basis van de Verlichting, voor een groot pro­bleem. Want vroeger gaf zij, met haar steun aan het rechtvaar­dige gevecht van de arbeider om een volwaardig loon, juist wel eveneens zichzelf - en de arbeider was deel van dit 'zelf'. Hij gaf er, min of meer marxistisch geschoold, op grond van de 'verlichte' herkenning van de oorzaken van zijn eigen achter­gestelde sociale positie, en dus van de factoren die zijn ontwikkeling en emancipa­tie belemmerden, mede zelf vorm aan.
   Succes in die strijd was slechts mogelijk door scholing en ontwikkeling, kortom, door wat indertijd zo fraai betiteld werd als Verheffing van de Mens. Een verheffing, die - te­recht - alleen maar mogelijk werd geacht wanneer die mens, Kant indachtig, uit zijn onmondigheid werd bevrijd en daartoe zijn kerke­lijke banden deels werden ge­slaakt. Daarvoor was ook een mentale verandering nodig, die automatisch ook een veran­dering bete­kende op het terrein van godsdienst en cultuur. Liberalen noch sociaal-democraten hebben zich bij bestaande achter­lijk­heid neergelegd en bijbehorende reli­gieuze tradities ont­zien alleen vanwege het feit dat deze nu eenmaal bestonden. Dat ging niet zonder een zekere betutteling van de onver­lich­ten door de verlichten, maar omdat dat niet zonder ging, was die betutteling met het oog op de beoogde Verlich­ting niet zo erg. Als men daar principeel iets op tegen heeft, dan moet men thans ook het opvoeden en onderwij­zen van kinde­ren staken. Bescha­ving en inzicht zijn nu eenmaal niet aangeboren, maar in hoge mate aangeleerd - anders waren er ook niet zovele duizenden jaren nodig geweest om het huidige peil te bereiken. Anarchie is dan ook met reden nooit een redelijk alternatief voor sociaal-demo­craten geweest.
   Maar waar staan wij nu voor? Voor het handhaven van de - in mondiaal perspectief sterk geprivi­ligeerde - positie van onze grotendeels geëmanci­peerde klassieke natio­nale achterban, waarvan velen hun weg op de huizenmarkt, Internet en de Wallen intussen ook wel zonder ons weten te vin­den? Of voor de ont­wikkeling van de armen en achtergeblevenen buiten Europa, dan wel onder de allochtonen in eigen land? Dit dilemma is nu veel sterker geworden dan honderd jaar terug, toen men in Europa de moslim­se mede­mens nog slechts hoofdzake­lijk als een exoti­sche met Koran en krom­zwaard bewapende krijgsman uit spannende avontu­renro­mans kende, en niet als de winke­lende boven­buur­vrouw bij Albert Heijn. Die eman­ci­pa­tie van de bevol­king van andere cultu­ren vergt echter gedeeltelijk een strijd tegen het tradi­tionele waardenpatroon van zo'n cultuur, en wordt daarmee door de desbetreffende bevolking veelal als een aanval op hun cultuur als geheel gezien, en zodoende als een aanval op hen­zelf.

   Hoezeer men er in sociaal-democratische kring niet in slaagt om een heldere koers uit te zetten en tot duidelijke keuzes te komen, maakte een tijdje terug ook de door een commissie uit de Partij van de Arbeid vervaar­digde nota Wis­selwerking weer eens duidelijk, waarin geen onvertogen woord te vinden is. Daarin ligt dan ook meteen mijn grootste be­zwaar: ieder welwillend mens zal het zonder meer met alles wat er in de nota wordt gezegd op zich eens zijn. Er staat niets contro­ver­sieels in, zodat men dus alles wat controversieel is, moet hebben gemeden. Vrijwel alle kolen en geiten waaraan in ons poldermodel de politieke landbouw zo rijk is worden ge­spaard. Om eens een paar thema's te noemen: het conflict tussen autochtone en allochto­ne rechtsopvattin­gen, zoals onlangs weer eens bij een schietpartij in Veghel ter tafel kwam, in samenhang met het respect voor onze normen en waarden; het pro­bleem van het gebrek aan verdraag­zaamheid in eigen kring, zoals tussen Koerden en Turken; het dilemma tussen vrij keuze­recht voor ouders en gedwongen leer­lingen­spreiding, waar het het tegengaan van de groeiende segregatie van zwarte en witte scho­len betreft; de verhouding tussen de rechten en plichten van ouders en overheid ten aanzien van de wijze van opvoe­ding en onderwijs van het opgroeiende geslacht; de illusie van het 'bij gelijke geschikt­heid' in perso­neels­advertenties, in relatie tot de vraag naar groeps­rechten dan wel individuele rechten; het probleem van de dubbele nationa­liteit en dus dubbele loyaliteit, die in demo­cratieën voor de relatie c.q. mogelijke botsing tussen de beide vader­landen niet zonder rele­vantie hoeft te zijn, getuige ondermeer de rol van de lobbies voor Israël en Ierland in de Verenigde Staten. Aan de opstel­lers van de genoemde partijnota lijken deze vraagstuk­ken groten­deels voor­bij te zijn gegaan. Politiek gaat echter niet over die zaken waar­over men het eens is, maar over die, waar­over men op goede gronden van mening kan ver­schillen. En ofschoon het in Neder­land inmiddels onder Paars meer dan ooit traditie geworden is om poli­tieke menings­ver­schillen vooral zoveel moge­lijk toe te dekken, lijkt mij dat, met het oog op het samen­bindende vermo­gen van onze samen­leving in de toe­komst, in dit geval zeer ongewenst.
   Het is sowieso opvallend, hoezeer deze culturele en mentale aspec­ten in politieke discussies in Nederland uit de weg worden gegaan, en godsdienst staat daarbij - met ons koningshuis, uiteraard - bovenaan als nationaal taboe nummer één. Maatschappelijke aanpassingsproble­men worden altijd met economische factoren in verbinding gebracht, en over de wisselwerking tussen materie en mentaliteit hebben wij het liever niet. Geloofszaken zijn in Nederland in politicis van oudsher geen thema, niet alleen in de binnenlandse, maar ook in de buitenlandse politiek, zoals de opwinding na de opmerking van Kohl omtrent de relevantie van religie voor de Turkse geschiktheid voor de Europese Unie bewees. In dat opzicht bestaat er nog steeds een duidelijk verschil in perceptie van de boven-materiële werkelijkheid tussen ons en de omringende naties, en het was in dit opzicht karakteristiek dat de ettelijke jaren terug wegens Haider uit de FPÖ getreden politica Heide Schmidt in haar lezing aan de Leidse Universiteit van 24 februari jl. ter verklaring van het gebrek aan democra­tisch-kritische traditie in haar land begon met te stellen: vergeet niet, Oostenrijk is katholiek. Waar het de ontken­ning van enige wezen­lijke rele­van­tie van religieuze factoren be­treft, staat Neder­land in Europa vrij alleen.

   Het is in dit verband natuur­lijk een interessante vraag, waardoor dit komt. Het antwoord is niet los te zien van het feit, dat het groot­ste deel van de huidige elite van Neder­land op dergelijke momenten vanuit een vermeend verlichte geestes­hou­ding niet alleen van de metaphysische opvattingen van anderen als potentieel beoorde­lingscriteri­um niets wil weten, maar evenmin aan de godsdienstige wortels van de eigen samen­leving herin­nerd wil wor­den, en zo zelfs de betekenis ervan voor de grenzen van Europa ont­kent: de betekenis van het Christen­dom, dat, bij alle secularisatie van de laat­ste tijd, nog altijd aan de basis ligt van de Europese cul­tuur. De verklaring daarvan vergt een korte in­kijkope­ratie in de natio­nale volks­ziel van dit ogen­blik.
   Ter linkerzijde is het dan mede de dominantie van de gene­ratie van de jaren zestig, met haar onverwerkte rijke roomse verle­den en haar jeugdtrau­ma's over een ongetwij­feld even afgrijse­lijke gere­formeerde jeugd in Oegst­geest, die ervoor zorgt dat vele toonaangevende politici vooral niet met de Kohls in één kamp willen worden gezien. Gezien de van staatswege ver­plichte katholieke kruisen in de openbare scholen in het door Kohl's zusterpartij gere­geerde Beieren is die associatieangst overi­gens niet geheel onbegrijpelijk. Waaraan de algemene geur van kleinbur­ger­lijke mufheid, die - naast de huidige van koninklijke omkoopbaarheid - bij tijd en wijle uit de kring der Duitse chris­ten-democraten opstijgt, dan natuur­lijk even­eens nog het zijne bijdraagt. Nergens in Europa is boven­dien de ontkerkelijking verder voortgeschreden dan in Neder­land, zodat reeds godsdienstig­heid als zodanig hier al snel aan achterlijkheid wordt gelijk­gesteld. In onze buur­landen daaren­tegen beroepen sociaal-democratische leiders, als Tony Blair voor Labour, zich open­lijk op de Christelijke mo­raal, en ook zonder dat hij nu de kerk meteen even frequent als de kapper bezoekt.
   Deze neiging om zich voor het eigen Christelijke verleden te schamen gaat vervolgens gepaard aan de vrees, om met één onvertogen woord over de Islam de vreemde­lingen­haat aan te wakke­ren en daarmee extreem-rechts in de kaart te spelen. Men wil in sociaal-democratische kring vooral niet voor onverdraagzaam doorgaan, en ziet daarom, uit op zich begrijpe­lijke compassie met de be­roerde maatschappelijke positie van de immigranten in onze binnenste­den, menige uiting van intole­rantie in allochtone kring ten aanzien van Neder­landse normen - van Salman Rushdie tot homo­sexuali­teit - han­denwrin­gend door de vingers. Een en ander leidt er uit mis­plaat­ste poli­tieke cor­rect­heid regel­matig toe dat dat, wat men met het Christen­dom nu net als benepen van zich beweert te hebben afge­schut, vervol­gens in de Islam met het oog op afwij­kende ach­tergrond en herkomst weer begrip­vol wordt om­armd. Mede daardoor be­staat de neiging om de verschil­len met vreem­de cultu­ren terug te bren­gen tot fleurige volks­dansen en interes­sante eetgewoon­tes, die op verbroederen­de buurtfees­ten met de inheemse bevolking moeten worden ge­deeld. Zo worden centrale wester­se waarden, die wij danken aan de Verlichting, op cruci­ale momenten ter wille van de binnen­land­se vrede in de multi­cultu­rele samenleving soms liever verzwe­gen.

   Zo mogelijk ernstiger nog is de lankmoedige houding ten op­zichte van de grondbegin­selen van de wester­se beschaving aan de rech­ter­zijde van het politieke spec­trum in Nederland gewor­den. Daar heeft men niet zozeer met onver­werkte jeugd­ervarin­gen te kampen, en is het ook evenmin de schroom om voor Euro­pacen­trisch versleten te worden. Daar is het vooral de behoefte om bij lucratieve con­tacten met het buiten­land van iedere onzakelijke belemme­ring ge­vrij­waard te blij­ven, die ertoe leidt, dat men hier niet over godsdienst als beschavingsvormende factor spreekt. Daar wil men evenmin over de geestelijke grondslagen van de westerse samenleving filosoferen. Daar wil men gewoon zaken doen.
   Voor de Van der Valken van deze wereld was iets anders natuurlijk altijd al te veel gevraagd, maar helaas zijn de Van der Valken nu aan de winnende hand. En waar dit zaken doen in Nederland gaandeweg tot hoogste ideaal is verheven, blijven de geestelij­ke effecten ervan niet tot zakenkringen alleen beperkt. Ook bij veel vooraanstaan­de sociaal-democraten heeft de afgelopen jaren deze platte kijk op de wereld immers ingang gevonden, en geldt de overheids­func­tionaris die niet voor onderne­mer speelt en bijpassend dineer- en declareer­gedrag vertoont, als een meelijwek­kende sul. Zelfs het denkvermogen van de christen-demo­cra­tie blijkt hevig door het virus van deze commer­ciële zienswijze te zijn aangetast, ofschoon men van deze zijde toch wel een grotere resistentie had durven ver­wach­ten. Reeds de gevallen fractie­leider Elco Brinkman verkon­digde, nadat hij als minis­ter de kunst tot glijmid­del voor de export had voor­be­stemd, ter verdediging van zijn uitglijder dat andere landen toch ook alleen maar vooral veel aardap­pels willen verko­pen. Neen! Niet alle volke­ren be­schouwen een positie­ve han­delsbalans als het hoogstbe­reikba­re ideaal. Er zijn er, die in de veronderstel­ling verke­ren, dat zij een culturele missie te volbrengen hebben. En er zijn er ook, die het Ko­ninkrijk Gods op Aarde vestigen willen, en als dezulken, zoals de Taliban in Afgha­nistan, het voor het zeggen krijgen, dan berg U!

   Nu brengt juist dat Koninkrijk Gods ons op een extra reden waarom men in Neder­land de onderlin­ge verwe­venheid van afwijkende religieuze en afwijkende maatschappe­lijke denkbeel­den bij een deel van onze nieuwe minderheden liever niet ter sprake brengt, en tevens over het thema tole­rantie versus theocratie en het verlich­tingscriteri­um inzake de mogelijkheid tot integratie liever zwijgt. Die reden wordt gevormd door de restanten van theocratisch denken van eigen bodem, zoals die in het Reformatorisch Dagblad en het Katho­liek Nieuwsblad hun spreek­buis vinden. Het Godge­slo­ten wereld­beeld van menig bin­nenge­migreerd moslim vindt nu eenmaal zijn in­heemse pendant in dat van ons aller bisschop Eyck.
   Voor een juiste omgang met deze restanten heeft het meer verlichte deel van de Nederlandse natie nog steeds niet een effec­tievere om­gangsvorm gevonden die verder gaat dan de hier te lande ge­bruikelijke methode van gedogen en negeren, of, inge­val van als al te onappetij­te­lijk bekrom­pen ervaren opvattin­gen, ­een enkele halfslachti­ge poging tot een juridisch proces. Dat de zaak zelden op de spits gedreven wordt komt, omdat op de zeer Neder­landse oor­sprong van deze opvat­tingen histo­risch gezien weinig af te din­gen valt, en men het deze landge­noten daarom wat minder euvel durft te duiden, dat vervolgens alleen de aan­slui­ting op de Neder­landse moder­niteit is gemist. De doorvoe­ring van de Verlichting in Urk wordt zo in geen geval in zijn algemeenheid met wettelijke midde­len afge­dwon­gen, en als men het broekverbod voor meisjes in bevin­de­lijke kring tole­reert omdat dat nu eenmaal bij de desbetref­fende geloofs­beleving schijnt te horen, dan wordt het ook moeilijker dan in Frank­rijk om be­paalde als obscurantistisch be­schouwde vormen van islamitische kleder­dracht van staats­wege tegen te gaan. Waar de Neder­landse samenleving vreemde culturen van autochto­ne oorsprong alle ruimte voor antimoderne zelfexpressie laat, kan zij dat recht, om niet te discrimine­ren, aan vreem­de culturen van allochtone oorsprong immers moeilijk onthou­den.
   Dat de Verlichting in Urk tot dusverre geen ingang heeft gevonden komt mede omdat deze autoch­tone vreemdelingen binnen onze moderne samenleving ook de schei­ding tussen Kerk en Staat nog niet altijd geheel verin­ner­lijkt hebben, en in hun kring integen­deel een duide­lijke link gelegd wordt tussen de eigen ge­loofsopvat­ting en onze 'ware' nationale identiteit. Neder­land zal christelijk zijn of het zal niet zijn, gelijk het reeds in de zeventiende eeuw door de calvi­nistische 'Heer­schende Kerk' als het nieuwe uit­verkoren volk werd beschouwd. Voor het ortho­doxe protes­tan­tisme vormt de trits God, Neder­land en Oranje zo nog steeds een onverbre­ke­lijke drieëen­heid, waarbij op de Synode van Dordt de lotsbe­stemming van Neêrlands Israël vastge­legd en zijn speci­ale band met Christus' kerk bezegeld is, ook al speelt het daartoe cruciale kerst­ver­haal zich tussen os en ezel in het Pale­stijn­se Bethle­hem af, en niet in de Putten­se var­kens­stal­len van Wienk van den Brink.
   Zeker in chris­ten-demo­cratische kring betekent dat Ko­nink­rijk Gods zo een belangrijk obstakel om overdreven godsdien­stig­heid ­onder allochtonen als onneder­lands te bekritiseren, met het oog op de secta­ri­sche funda­menta­listen van Veluwse of Vati­caanse rich­ting, omdat hun daaruit voort­vloeiende maat­schap­pelijke margi­nalisa­tie juist steeds als souverei­niteit in eigen kring wordt aange­prezen. Niet voor niets heeft in Neder­land de onderwijs­vrij­heid onder zevenenze­ventig jaar ononder­broken confessioneel bewind zulke extreme vormen aange­nomen, dat met een beroep op godsdien­stige gevoe­ligheden de evolutie­leer uit het eindexamen­pakket kan worden geweerd en onder de vlag van geloofsvrijheid de achterlijkheid als hogere waarheid kan worden aangeleerd, en desondanks de desbetreffende scholen rustig voor overheidssub­sidie in aan­merking kunnen komen. Het is een vorm van staatsgefinan­cierd analfa­be­tisme die zelfs in de duis­terste binnenlanden van Beieren ondenkbaar is, en in de wes­terse wereld alleen in sommige staten van de Verenigde Staten wordt geëve­naard. Waar het CDA zich zodoen­de, onder verwijzing naar het recht op cultu­rele eigen­heid van zwaar Gerefor­meer­den, tegen Verlich­tingsdwang van over­heidswe­ge ver­zet, bevindt het zich niet in de positie om islamitische immigran­ten vanwe­ge vrouw­vijandige opvattingen de deur wijzen terwijl soortge­lijke opvattingen bij de SGP sinds decennia begripvol tege­moet worden getre­den. Men kan immers aan de imam moeilijk ontzeggen, wat aan predi­kant of pastoor al jaren­lang wordt toege­staan, en voor de inburge­ring van de volgelin­gen van de imam biedt het CDA derhalve opnieuw het ver­zui­lingsmodel aan.
   Anderzijds is juist bij het meer conservatieve, minst verlichte deel van de christen-democratische achterban de distantie tot de aanhangers van een andere godsdienst het grootst. En die distantie vloeit daarbij niet, zoals bij het meer geseculariseerde deel van de Nederlandse bevolking, voort uit de uit die godsdienst voortvloeiende maatschappelij­ke opvattingen, maar uit die specifieke godsdienst als zodanig. Hoe orthodoxer men immers in zijn geloofsopvatting is, hoe meer men geneigd is om slechts één godsdiensti­ge waarheid als de ware te erkennen, en hoe gereserveerder men dus tegenover de waarheid van andere godsdiensten staat.
   Direct in het verlengde daarvan ligt dan ook dat het idee van Nederland als specifiek christe­lijke natie bij de precie­zen sterker leeft dan bij de rekke­lijken, waarbij dat natuur­lijk weer ver­sterkt wordt door het feit, dat het juist de vele pre­ciezen zijn die op het platte­land tussen vele andere pre­ciezen leven. Niet voor niets was binnen het CDA de weerstand om de partij ook voor mos­lims open te stellen niet aan de grachten van Amster­dam maar aan de sloten achter Amersfoort geconcen­treerd. In onver­lichte kring is de tolerantie tegen­over an­derszins onver­lich­ten meestal net iets geringer dan in meer verlichte kring, omdat de meer verlichten in begin­sel toch net iets minder snel geneigd­ zijn de medemens het recht te ontzeg­gen om - bij wijze van variant op het woord van de grote Frede­rik - op zijn eigen manier achter­lijk te worden, dan degenen die al op hun eigen manier achterlijk zijn. Er kan in de ogen van theocraten immers maar één theo­crati­sche heilstaat de juiste wezen, en dat sluit het recht voor andere theocraten om de hunne te realise­ren nagenoeg uit.
   Voor Nederlandse streng-Gereformeerden kan zo'n Nederlandse heilstaat dus ook slechts een streng-Gereformeerde zijn, gezien de door haar veronderstelde historische band tussen geloof en vader­land. Nederland evenwel is inmiddels (zo al ooit) reeds lang niet meer streng-Gerefor­meerd, zodat de enige kans om het godsdienstige ideaal in maatschappelijke praktijk om te zetten niet meer ligt in het beheersen, maar juist in het weren van de staat: door het recht, zich niet door de meerder­heid tot een onorthodoxe levenswijze te hoeven laten dwingen. Zo heeft die eigen christe­lijke heil­staat ook in Stap­horst slechts kans van slagen op grond van het met deze heilsopvat­ting als zodanig zo strijdige vrij­heidsbegin­sel, dus als e­ven­eens in beginsel het recht op een islamitische heilstaat in de Schilders­wijk wordt erkend, want de seculiere meerderheid van de bevol­king is voor héél Neder­land van geen van beide ge­diend.
   De christen-democratie wordt zo heen en weer geslingerd tussen het recht op confessi­onele verscheidenheid enerzijds, welke voor het meer strenggelovige deel van haar achterban de enige garantie voor het voortbestaan van een eigen enti­teit vormt maar zo automatisch ook de Islam alle ruimte geeft, en de door dat strenggelovige deel gevoelde en gewenste samenhang van Neder­landse iden­ti­teit en Chris­tendom ander­zijds, die de Islam buitensluit maar in het ontkerste­lijkte Nederland ook door de rest van de autochto­ne bevolking allang niet meer erg wordt geapprecieerd.
   Het probleem waar anderzijds dit ontkerstelijkte Nederland zo voor staat, is dat het moeilijk met twee maten kan meten: het kan, op basis van het beginsel van godsdienst­gelijkheid en de praktijk van staatsonthouding op religieus gebied, niet de onverlichte opvattingen van een deel van de islamitische nieuwkomers bestrijden en tegelijk aan even onverlichte opvat­tingen van een deel van de christelijke inboorlingen stilzwij­gend voorbijgaan. Zo kan ook de sociaal-democratie niet af­wachtend in de zijlijn toezien, of het in allochtone kring uit eigen kracht overal tot een doorbraak in verlichte richting komt; een fatsoenlijke scholing en gerichte inburge­ring van de nieuwe bevolkingsgroe­pen is voor de toekomst van Nederland te belangrijk om de zaak op zijn beloop te la­ten. Dat betekent evenwel onver­mijde­lijk voor de immigranten en hun nage­slacht assimila­tie, en dus het opgeven van een belangrijk deel van hun uit hun land van herkomst meege­brachte identi­teit, waarbij deze op termijn inderdaad hoofdzakelijk tot fleuri­ge volksdan­sen en interes­sante eetgewoon­tes zal worden geredu­ceerd.
   Maar tegelijk leert de Europese ervaring uit het verle­den, dat dit proces tijd nodig heeft, en een te sterke moder­nise­rings­dwang vaak averechts werkt. Reeds de verlichte keizer Jozef II moest op het eind van de achttiende eeuw erkennen, dat het bijbrengen van enige beschaving aan de Belgen gezien de toenmalige machtspositie van de katholieke kerk ondanks al zijn ijver niet in twee jaar zou lukken, maar een zaak van zeer lange adem was. Dom­heid valt nu eenmaal niet per decreet te bestrijden. Het Vaticaan zélf ­blijkt overigens ook aan tweehonderd jaar niet genoeg te hebben om zich verstand en verlichting eigen te maken. Men is daar, gezien het zojuist van pauswege verordende eerherstel, na zes eeuwen pas net toe aan de mentale verwerking van Johan­nes Hus, zodat die van Kant, Darwin, Freud, Malthus en Joke Smit nog wel even op zich zal laten wachten. Trouwens, ook in het provinci­aalse protes­tantse Neder­land van Da Costa en Groen van Prin­sterer schoot dat ten tijde van koning Willem I niet altijd even erg op. De gefor­ceerde wijze waarop men nu in een land als Turkije zélf in ijltempo met de gods­dienst ook alle cultu­rele ver­scheidenheid poogt uit te bannen, lijkt mij gezien het geweld­dadige karak­ter ervan in elk geval niet voor navol­ging vat­baar. De maak­baarheid van de samenleving kent zijn grenzen.
   Om die reden zullen er in Nederland nog wel enige tijd de nodige spanningen blijven bestaan, waarbij de Nederlandse nakomelingen van de huidige moslimimmigranten zich sterk tussen twee vuren zullen bevin­den, tussen de meer tradi­tio­nele herkomstwereld van hun allochtone (voor)ouders en de moderne wereld van hun autochtone leeftijdgenoten. Net als in de jaren zestig bij gerefor­meerden en katholieken zal het ongetwijfeld voor een groot deel van hen tot een geestelijke uitbraakpoging komen, waarbij die breuk dan wel scherper zal zijn, omdat de sprong die men moet maken ook groter is. De moderne westerse samenleving is immers, hoever zij intussen ook van haar traditionele Christe­lijke wortels verwijderd is geraakt, wel uit die traditionele Christelijke samenleving voortgekomen en draagt van die oor­sprong nog altijd de sporen, terwijl bij de traditione­le samenle­ving waaruit de migranten voortkomen die relatie met de onze ontbreekt.
   Maar het is onwenselijk, indien deze uitbraak slechts voor een deel van die moslims geldt, en er daardoor net als bij het Christendom een groep achterblijft die door het licht van de Verlich­ting niet wordt bereikt. Voor de Nederlandse sociaal-democratie betekent dat, dat het mis­schien tijd wordt om de traditionele heilige onderwijsvrij­heid in ons land waar het de inhoud van de les­stof - dus niet de didacti­sche methode - betreft toch iets meer ter discussie te stellen, gelijk deze in alle beschaafde landen om ons heen sinds de staat de onder­wijstaak van de kerk overnam al veel langer aan banden is gelegd.
   Willen wij het ontstaan van nieuwe geestelijke ghetto's in de toekomst vermij­den, en dus ook van alle nazaten van de immigran­ten die uit een tradi­ti­onele samenle­ving komen moderne en goedge­schoolde Neder­landse staats­burgers maken, dan kunnen wij het ook in het geval van de kinderen van het traditio­neel ingestel­de deel der mosli­mouders niet aan nieuwe is­lamitische scholen alléén over­laten om te bepalen wat daar precies zal worden geleerd. Maar dan kunnen wij ook om enige confron­tatie met de laatste eilanden van Chris­telijke rechtlijnigheid, die nog niet conform de heden­daagse weten­schappelijke inzich­ten met de evolutieleer zijn meegeë­volu­eerd, niet langer meer heen. In het Europa van het jaar 2000 wordt het vol­brengen van deze laatste missie van de Verlichting ook hoogste tijd.

Thomas H. von der Dunk,
16 januari 2000 / 2 maart 2000.