weekblad
Opinio
Jaargang 1, nummer 31
17 – 23 augustus 2007

door Paul Cliteur

 

Paul Cliteur is hoogleraar
Encyclopedie van de rechtswetenschap
aan de Universiteit Leiden.
Dit voorjaar verscheen zijn boek
Moreel Esperanto: naar een autonome
ethiek (De Arbeiderspers).

 

Het gaat niet om de toon maar om de terreur

Na de mishandeling van PvdA-raadslid
Ehsan Jami relativeerde
Wouter Bos het recht van zijn
partijgenoot om zijn opvattingen
uit te dragen: ‘Op het moment
dat Jami, of de mensen om hem
heen, dat recht gelijkstellen aan
het beledigen van moslims of
hun geloof, heb ik geen enkele
behoefte me daar als partij achter
te stellen.’ Het commentaar van Bos
is kenmerkend voor het debat over
radicaal-islamitische gewelddaden
en bedreigingen – steevast wordt
verwezen naar ‘beledigende’ of
‘kwetsende’ uitlatingen die de
slachtoffers van dat geweld zouden
hebben gedaan. Volgens Paul Cliteur
wordt daarmee de aandacht voor
de oorzaken van religieus geweld
verdreven door vragen over de
‘toon’ van de critici. Een essay over
straatschenderij en terrorisme, en
over de hardnekkige mythe van de
toonhoogte.

in Zijn voortreffelijke artikel over
terrorisme in Opinio 19 (‘Sluipende ontwrichting’),
wijst de Nederlandse terrorisme-
deskundige Uri Rosenthal op twee
vormen van nieuw terrorisme. Allereerst
gaat het vaak om catastrofale acties waarbij
zoveel mogelijk onschuldige slachtoffers
worden gemaakt (11 september, Madrid,
Londen). Ten tweede gaat het om
opzichtig, wreed geweld tegen prominente
personen. Ter illustratie wijst Rosenthal op
de onthoofding van de Amerikaanse journalist
Daniel Pearl, op 2 februari 2002,1 en
op de gruwelijke moord op Theo van Gogh,
op 2 november 2004.

Ik wil het hier vooral hebben over de
tweede vorm: geweld tegen personen of
het dreigen daarmee. Het geval van Ayaan
Hirsi Ali is natuurlijk het bekendst, omdat
zij na haar vertrek uit Nederland een internationale
ster is geworden. Maar intimidaties,
grotere en kleinere, komen met grote
regelmaat voor.

In oktober 2005 zag de 21-jarige Hasna
El Maroudi zich genoodzaakt haar column
in NRC Handelsblad te beëindigen. El Maroudi,
zelf Arabier, had naar het oordeel
van woedende Berbers te harde woorden
geschreven over de Berbercultuur. De columniste
kreeg honderden bedreigingen via
e-mail, en ze werd ook direct op straat bedreigd.
 

Ook de kunstenaar Rachid Ben Ali werd
op straat bedreigd, in januari 2005.4 Ben
Ali wilde met zijn kunstwerken, die werden
geëxposeerd in het Cobra-museum in
Amstelveen, een discussie aangaan over de
islam. Wethouder Aboutaleb regelde persoonsbewaking
voor hem.

Van recenter datum is dat de schrijfster
Naima El Bezaz zó intimiderend werd bedreigd
dat zij de openbaarheid wilde mijden
en zelfs niet op het Boekenbal wilde
verschijnen (wat uiteindelijk toch wel gebeurde).

 

Voordat Theo van Gogh werd vermoord,


 

werden bedreigingen enigszins gebagatelliseerd;
degenen die erover klaagden, werd
voorgehouden dat zij niet moesten overdrijven
of dat ze een beetje Zivilcourage
moesten tonen. Maar dat geluid is om begrijpelijke
redenen verstomd. Wat merkwaardig
genoeg wél is gebleven, is de grote
verlegenheid van de Nederlandse samenleving
en met name de bestuurlijke en culturele
elite met het onderwerp. Noch de
overheid noch de culturele elite lijken
er goed raad mee te weten. Tegenwoordig
wordt het verschijnsel wel onderkend,
maar het geweld en de agressie waarmee
sommige mensen worden geconfronteerd,
worden ‘verklaard’ vanuit het eigen gedrag
van die mensen. Zij zouden het geweld als
het ware zelf hebben opgeroepen, door de
toon en de wijze waarop zij columns hebben
geschreven of films of schilderijen
hebben gemaakt – het geweld is eigenlijk
‘hun eigen schuld’.

Als dit waar zou zijn, dan zouden we alleen
door die columns niet te schrijven, die
films niet uit te zenden en die schilderijen
niet te maken, het terrorismeprobleem of
het probleem van het kleinere maar intimiderende
geweld kunnen beteugelen. Dat
is een optimistische gedachte. Maar het is
zeer de vraag is of het waar is.

Laat ik proberen  het nieuwe terrorisme
waarvan Rosenthal gewag maakt, in een
breder kader te plaatsen. Het hedendaagse
terrorisme heeft specifieke eigenaardigheden
die het onderscheidt van oudere en bekender
vormen van terrorisme. We kennen
het terrorisme dat gericht is op het realiseren
van een eigen staat of op een afscheiding
van het nationale staatsverband.6 We
kennen ook het terrorisme dat seculier van
aard is en zich richt op politiek-ideologische
doelstellingen, zoals dat van de RAF.
Deze twee vormen van terrorisme zijn
voor westerse mensen in zekere zin verklaarbaar,
want zij appelleren aan typisch
westerse preoccupaties. In het eerste geval
gaat het bijvoorbeeld om de controle
over een stuk territorium die men met geweld
wil afdwingen. In het tweede geval
gaat het om het met gewelddadige middelen
realiseren van sociale gelijkheid. Maar
in het nieuwe terrorisme gaat het om iets
wat voor veel westerse commentatoren en
mensen die van die commentaren kennisnemen
eigenlijk ‘onbegrijpelijk’ is: het realiseren
van een religieuze utopie en het intimideren
van mensen die daar kritische
kanttekeningen bij plaatsen.

Wat wereldwijd in opkomst is, is een gewelddadige
politiek-religieuze ideologie
die wel wordt aangeduid als ‘islamisme’ en
die geweld niet schuwt. Dat ‘islamisme’ is
dus niet identiek aan ‘de islam’, maar het
ontleent wel zijn inspiratiebronnen aan
heilige teksten en onderdelen van de heilige
traditie.7 Het zijn die bronnen waarop
jongeren zich oriënteren. Het islamisme
keert zich tegen de scheiding van kerk en
staat, tegen homoseksualiteit, tegen een
vrijzinnige omgang met religie, tegen afvalligheid
(apostasie), tegen religiekritiek, ja
tegen het hele moderne leven.

Nu is dit voor de westerse wereld onbegrijpelijk
geworden, maar het is niet altijd
onbegrijpelijk geweest. Ook in Europa
hebben zich chiliastische en apocalyptische
bewegingen gemanifesteerd.8 Dezelfde
intolerante houding die we ten aanzien
van afvalligheid en religiekritiek bij
Bilal L. (veroordeeld voor het bedreigen
van Wilders en in de gevangenis ronselen
voor de jihad), Jason W. (die op 10 novem-

Mohammed B. tegen de moeder
van Theo van Gogh: ‘Het hele
verhaal dat ik mij beledigd zou
voelen (…), dat is allemaal
niet waar. Ik heb gehandeld uit
geloof (…), ik heb uit overtuiging
gehandeld, en niet omdat ik uw
zoon haat omdat hij mij heeft
beledigd als Marokkaan. Ik heb
mij nooit beledigd gevoeld’

ber 2004 een handgranaat naar de politie
gooide), Mohammed B. (de moordenaar
van Theo van Gogh) en vele kleinere geweldsplegers
aantreffen, treffen we ook in
Europa aan in de tijd dat de Inquisitie mensen
om religieuze redenen veroordeelde en
liet executeren.9 Maar omdat westerse samenlevingen
– ondanks alle schijn van het
tegendeel – zo sterk zijn geseculariseerd,
is men dit ‘vergeten’. De Tachtigjarige Oorlog,
de Dertigjarige Oorlog, de strijd tussen
Arminianen en Gomaristen – het is natuurlijk
allemaal wel te vinden in de geschiedenisboeken,
maar die geschiedenis hebben
de hedendaagse geseculariseerde lezers
niet geïnternaliseerd in de zin dat zij zich
werkelijk kunnen voorstellen hoe belangrijk
religie enkele honderden jaren geleden
was in het leven van mensen. Paradoxaal
genoeg geven veel mensen aan zich dat wél
te kunnen voorstellen met betrekking tot
nieuwe Nederlanders, tot de immigranten
en hun kinderen uit de islamitische wereld.
Voor deze mensen, zo wordt dan gezegd, is
religie zó belangrijk dat men hen niet ‘tot
in het diepst van hun ziel’ moet beledigen,
zoals bijvoorbeeld de vermoorde Van Gogh
zou hebben gedaan. Maar wanneer we dan
nader ingaan op wat volgens deze mensen
de homo religiosus drijft, dan blijkt al snel
dat zij zich totaal niet kunnen inleven in
het wereldbeeld van Bilal L., Jason W., Mohammed
B., Samir A. en de vele anonieme
internetbedreigers. Aan hen worden allerlei
opvattingen toegedicht die helemaal
niet kenmerkend zijn voor het wereldbeeld
van religieuze terroristen en kleinere geweldplegers,
maar eerder voor het wereldbeeld
van volledig geseculariseerde Nederlanders
of gelovigen wier overtuiging tot
een vorm van vrijzinnigheid is verdampt en
die nauwelijks van een volledige secularisatie
valt te onderscheiden.

Kenmerkend voor de hedendaagse geseculariseerde
wereld is een sterk individualistische
oriëntatie. Men mag daarom als

‘persoon’ niet worden beledigd. Daarom
denken veel mensen ook dat L., W. en Mohammed
B. als individuen zijn beledigd
door het kwetsende karakter van de kritiek
op hun godsdienst of door een onheuse
behandeling door de Nederlandse samenleving,
die hen op het pad van gewelddadig
verzet heeft gebracht. Het is de ‘toon’
van de kwetsers geweest die verkeerd was.
Volgens veel mensen was de moord op Van
Gogh een bevestiging van de stelling dat
terroristen scherp reageren op ‘beledigingen’.
Niemand kon zó scherp beledigen als
Theo van Gogh. En Van Gogh werd vermoord.
Dus werd hij vermoord vanwege
die beledigingen, zo denken veel mensen.
En aangezien men zelden kritische vragen
bij dit veronderstelde causale verband
stelt, leidde de moord op Van Gogh dus
niet tot een diepgaand debat over de wereldbeschouwing
van de moordenaar, maar
over de grenzen van het ‘kwetsen’ en ‘beledigen’.
Kortom, de focus verschoof van
Mohammed naar Theo. Hoe had Theo zo
onfatsoenlijk kunnen zijn? Had hij niet al
eerder tot de orde geroepen moeten worden?

 

Daarbij ging men volledig voorbij aan
wat de moordenaar zelf in een toelichting
op zijn motieven naar voren had gebracht.
Tegen de moeder van het slachtoffer zei
hij op 25 juli 2005, tijdens de terechtzitting:
“Dus het hele verhaal van dat ik mij
beledigd zou voelen als Marokkaan of omdat
hij mij geitenneuker zou hebben genoemd,
dat is allemaal niet waar. Ik heb
gehandeld uit geloof. En ik heb zelfs aangegeven
dat als het mijn vader was geweest
of broertje, ik precies hetzelfde had gedaan.
Dus u kunt mij echt niet verdenken
van enige sentimentaliteit.”10 Ook zei hij
bij deze zelfde gelegenheid: “Wat ik wel wil
dat u weet, is dat ik uit overtuiging heb gehandeld
en niet omdat ik uw zoon haat omdat
hij een Nederlander is of omdat hij mij
heeft beledigd als Marokkaan. Ik heb mij
nooit beledigd gevoeld.”

Deze zinnen zijn, voorzover mij bekend,
door geen enkele commentator serieus genomen.
En dat is ook niet zo vreemd. Dat
een religieus terrorist het – zoals Mohammed
B. het zo onverbloemd heeft verwoord
– als zijn religieuze plicht kan zien iemand
te straffen voor godslastering wanneer de
staat in gebreke blijft, is voor hedendaagse
geseculariseerde Nederlanders net zo onbegrijpelijk
geworden als Abraham die zijn
zoon wil doden als hij een stem uit de hemel
hoort (Genesis 22: 1-13) of Jefta die
zijn dochter offert omdat hij dat aan God
heeft beloofd (Richteren 11:38). En de Nederlandse
overheid blijft ook Oost-Indisch
doof voor al die verklaringen waarin religieuze
terroristen verklaren wat hen beweegt.
En zo blijft men maar herhalen dat
‘beledigen’ en ‘kwetsen’ de directe aanleiding
zijn geweest voor die moord. Het islamisme
als politiek-religieuze ideologie
blijft daarbij een gesloten boek.
Dat was overigens niet alleen zo ten
tijde van de moord op Theo van Gogh; het
is tegenwoordig nog precies hetzelfde. Het
volgende voorbeeld is ontleend aan de actualiteit.

 

Op zaterdag 4 augustus 2007 werd
PvdA-raadslid Ehsan Jami, oprichter van
een comité voor ex-moslims, op straat in
elkaar geslagen. Volgens Jami waren de daders
een Somaliër en twee Marokkanen.
Hij hoorde hen roepen: “Hé, kankergozer,
wat zit jij nou te lullen over de islam?”
Jami was ondanks de bedreigingen aan
het adres van Hirsi Ali en de moord op Van
Gogh noch door de lokale noch door de nationale
autoriteiten in een beveiligingsregime
opgenomen, hoewel toch algemeen
bekend was dat hij met enkele anderen in
september 2007 een comité van ex-moslims
zou presenteren. Naar het oordeel van
experts op het gebied van afvalligheid, zoals
de Nederlandse journalist Michiel Hegener11
en de islamdeskundige Ibn Warraq12,
rust op afvalligheid in de islamitische
wereld een groot taboe.

Mensen die de boeken van deze experts
niet hebben gelezen, hadden in de krant
wel kunnen lezen over Abdul Rahman.14
Tegen Abdul Rahman werd begin 2006
in Afghanistan de doodstraf geëist omdat
hij van de islam naar het christendom
was overgegaan. De 41-jarige man dreigde
ter dood te worden veroordeeld door een
sharia-rechtbank. Er werd internationaal
geprotesteerd tegen deze vorm van rechtspraak.
De president van Afghanistan zat
met de zaak in zijn maag en verklaarde dat
de doodstraf, als die zou worden opgelegd,
niet ten uitvoer zou worden gebracht. De
Afghaanse rechter verwees de zaak vervolgens
terug naar het Openbaar Ministerie,
vanwege ‘vormfouten’ die zouden zijn
gemaakt door de aanklagers. Dit leek uitkomst
te bieden voor Rahman, maar op 27
maart 2006 gingen meer dan duizend Afghanen
in de noordelijke stad Mazar-e-
Sharif de straat op om te protesteren tegen
de mogelijke vrijlating van Rahman. Let
wel: er werd dus niet vóór zijn vrijlating geprotesteerd,
maar tégen. Uiteindelijk bood
asiel in het buitenland uitkomst voor zijn
precaire situatie.

Dit alles zou voldoende reden moeten
zijn om te beseffen dat radicale jongeren –
geïnspireerd door een land als Afghanistan
– zich keren tegen geloofsafval als zodanig.
Dat is echter voor de westerse media
en burgers in Europa zó onbegrijpelijk dat
men de oorzaak van het geweld tegen Jami


 

– net als dat tegen Van Gogh en Hirsi Ali indertijd,
of tegen Salman Rushdie nog eerder
– blijft zoeken in de toon en bewoordingen
waarop hij zijn opvattingen naar
buiten brengt.
Het verklaren van geweld vanuit wat
men het ‘kwetsen’ en ‘beledigen’ door de
slachtoffers van het geweld noemt, begint
eigenlijk al bij de verslaglegging in de
kranten. Zo staat in nrc.next dat de bedreigingen
aan het adres van Jami begonnen
‘na publicatie van een interview in Trouw
waarin Jami de profeet Mohammed een
“crimineel” en een “verschrikkelijke man”
noemde, die te “vergelijken” was met
Osama bin Laden of Saddam Hussein. Eerder
al had Jami gezegd dat er bepalingen in
de koran staan die “achterlijk” zijn’.

Voor de Nederlandse krantenlezer
wordt de mishandeling van Jami daarmee
enigszins ‘begrijpelijk’. Een profeet een
‘crimineel’ noemen of een ‘verschrikkelijke
man’, is dat niet een vorm van schelden?
Het roept herinneringen op aan een uitspraak
van Hirsi Ali, waarin zij de profeet
als ‘tiranniek’ en ‘pervers’ omschreef.16
Wat kan de zin van dergelijke uitspraken
zijn? Ook het woord ‘achterlijk’ is bijzonder
beladen geraakt, omdat het herinnert
aan een uitspraak van Pim Fortuyn. Door
het eindeloos herhalen van de uitspraken
van deze mensen in de media worden de
geesten rijp gemaakt voor de opvatting dat
we niet zozeer met een probleem van religieus
terrorisme door radicaliserende jongeren
te maken hebben, maar met het verbaal
terrorisme van een onfatsoenlijke
intelligentsia. Vandaar is het nog maar een
kleine stap naar de stelling dat wie kaatst,
de bal moet verwachten, en dat verbale
woestelingen dus niet verbaasd moeten
zijn dat zij fysiek geweld uitlokken.

In nrc.next hád natuurlijk moeten staan
dat de bedreigingen aan het adres van Jami
begonnen ‘na publicatie van een interview
in Trouw waarin hij had aangegeven dat er
in de islamitische wereld een taboe op afvalligheid
rust en dat hij voornemens was
in Nederland een comité voor ex-moslisms
op te richten’. Maar dat staat er niet. Dit
heeft te maken met het feit dat journalisten
– net als het grote publiek en vooral de
culturele elite – in de ban zijn van de my-
the dat het beledigen de radicalisering in
de hand werkt: de gedachte dat geweld een
reactie is op geestelijke wonden die zijn
geslagen door agressieve schrijvers.

Deze theorie heeft zich diep geworteld
in de Nederlandse samenleving. Zij wordt
drie keer per week in drie verschillende
publicaties (NRC Handelsblad, Trouw en
HP/De Tijd) in min of meer identieke bewoordingen
herhaald door J.A.A. van
Doorn. De theorie vindt ook aanhang in de
hoogste regionen van de Nederlandse samenleving.
In december 2004 sprak de koningin
in haar traditionele kersttoespraak
de volgende zin uit: “Extremisme, in woord
en daad, splijt de gemeenschap.” Ook
daarin zou men kunnen lezen dat kwetsen
en beledigen een vorm van ‘extremisme’ is.

Nu spreekt het voor zich dat iedere verstandige
criticus van een sociaal kwaad
zal vermijden ‘onnodig’ te provoceren of
te kwetsen. Als hij al kwetst, dan kan dat
twee redenen hebben. De eerste reden: hij
doet het onbedoeld, maar het gebeurt omdat
hij zich niet realiseert hoe gevoelig iets
aankomt (merk trouwens op hoe vaak ‘beledigende’
passages uit interviews afkomstig
zijn). De tweede reden kan zijn dat de
criticus zich wel realiseert dat een ander
zich beledigd zal voelen door hetgeen hij

Als religieus geweld zou worden
uitgelokt door beledigingen,
dan zouden we alleen door
die columns niet te schrijven
en die films niet uit te zenden
het terrorismeprobleem
kunnen beteugelen. Een
optimistische gedachte, maar
het is de vraag of dat waar is

naar voren brengt, maar dat hij dat toch
verantwoord acht omdat er een hoger doel
mee wordt gediend. Dat laatste is vaak de
houding van sociale hervormers die controversiële
zaken op de agenda zetten,
maar soms ook van wetenschappers. Darwin
worstelde met het publiceren van zijn
theorie omdat hij zich realiseerde dat velen
in hun religieuze overtuiging zouden
worden gekwetst (ook zijn eigen vrouw).
Toch publiceerde hij zijn boek, omdat hij
meende dat de ontwikkeling van de biologie
(het hogere doel) daarmee gediend zou
zijn.

Het is dus een onjuiste en eigenlijk ook
malicieuze aantijging te beweren dat wanneer
een groep zich als ‘gekwetst’ opstelt
als gevolg van uitlatingen van een andere
groep, deze laatste groep geen ander doel
zou hebben dan het kwetsen van de eerste
groep.

Het ergste daarbij is overigens niet de
genoemde boosaardigheid, maar de fatale
uitwerking ervan op het antiterrorismebeleid.
Het koesteren van de mythe van de
gekwetste gevoelens als oorzaak van radicalisering
staat een adequaat begrip van de
oorzaken van religieus terrorisme en religieus
gemotiveerd geweld in de weg. Zolang
die mythe wordt gekoesterd, zal een effectief
beleid ter bestrijding van het geweld
uitblijven.

Wat bewoog Bilal L. om Geert Wilders
te bedreigen? Het grote publiek denkt: L.
was beledigd door de extremistische uitspraken
van Wilders, en het is dus enigszins
begrijpelijk dat zo’n jongen zich in het
nauw gedreven voelde. Extremisme roept
tenslotte extremisme op. En omdat Wilders
al een waslijst van extremistische uitspraken
op zijn naam heeft staan, voelt
NRC Handelsblad, nrc.next of een andere
krant zich niet meer geroepen om deze uitspraken
nog even te herhalen, want we we-
ten sowieso al dat ze de oorzaak zijn voor
zijn precaire situatie. Bij een nieuwkomer

als Jami moeten die uitspraken echter nog
even worden ingeprent, om de boodschap
over te brengen dat de bedreigingen een
reactie zijn op de ‘toon’ en niet op de ‘inhoud’
van wat er gezegd is.

De boodschap dat fysiek extremisme
een min of meer begrijpelijke reactie is op
verbaal extremisme was ook de hoofdstelling
van het boek van Ian Buruma over Van
Gogh, een boek dat ondanks het feit dat de
schrijver al vele jaren in de Verenigde Staten
woont, een typisch Nederlands boek
is.17 Buruma’s boek verwoordt haarscherp
de houding van de Nederlandse politieke,
bestuurlijke en culturele elite ten aanzien
van het religieus gemotiveerd terrorisme.
Maar wat men vergeet, is dat – om maar
één voorbeeld te noemen – Bilal L. ook
de Amsterdamse hoerenbuurt wilde opblazen.
En dat de Amsterdamse wallen nu
niet bepaald een speciaal project van Wilders’
PVV zijn. Men staat er niet bij stil dat
de islamisten die de straat op gingen om te
protesteren tegen de vrijlating van Abdul
Rahman, een verandering van geloof op
zichzelf reden genoeg vinden om geweld
te gebruiken. Dat heeft helemaal niets te
maken met uitspraken van Abdul Rahman
waarin deze ‘uit de bocht vliegt’. Hij heeft
slechts die hele simpele wens om de islam
in te ruilen voor het christendom.

Men vergeet ook dat B., nog altijd de bekendste
religieuze terrorist van Nederland,
verschillende keren heeft verklaard dat
hij geen aanstoot neemt aan beledigingen,
maar aan het principe van de vrijheid van
meningsuiting als zodanig. Maar als zelfs
de verklaringen van B., waarover in de media
uitgebreid is bericht en geschreven,
geen enkele indruk op het Nederlandse publiek
maken omdat men liever zelf iets fantaseert
dan kennis te nemen van de beweegredenen
van de dader, dan kan men
zich toch wel ernstige zorgen gaan maken
over de state of denial waarin het grote publiek
en de elite zich bevinden.

Ook bij de leider van de PvdA, Wouter
Bos, lijken we de mythe van het beledigen
weer tegen te komen. In een interview dat
gewijd is aan het geweld tegen zijn partijgenoot
Jami, geeft Wouter Bos aan geen
moeite te hebben met geloofsafval. “Maar
op het moment dat hij, of de mensen om
hem heen, dat recht gelijkstellen aan het
beledigen van moslims of hun geloof, heb
ik geen enkele behoefte me daar als partij
achter te [scharen].”
 Uit deze woorden
kunnen we opmaken dat er de gegronde
vrees bestaat dat ook Bos in de ban is geraakt
van de mythe dat geweld wordt veroorzaakt
door kwetsen en beledigen. Nog
onverbloemder wordt deze mythe verwoord
door Mohammed Rabbae, die in een
commentaar op de kwestie-Jami schrijft:
“Voor sommige critici van de islam is het
makkelijker de scheldkanonnades op afstand
te hanteren dan het debat met argumenten
aan te gaan. Scheldkanonnades
lossen geen problemen op, maar versterken
wel het radicaliseringsproces onder
moslims. De vicieuze cirkel van provocaties
en geweld is dan rond.”19

Hierin kan men twee punten onderkennen.
Allereerst valt op dat één enkele uitspraak
die iemand zich misschien eens
heeft laten ontvallen, wordt opgevoerd
als ‘scheldkanonnades’ (meervoud). Het
tweede dat naar voren komt, is dat die vermeende
scheldkanonnades het radicaliseringsproces
onder moslims zouden verklaren.
Dat is uiterst onwaarschijnlijk,
omdat er niemand is die ‘scheldkanonnades’
uit. De enige die zich daaraan zou hebben
overgegeven, is al lange tijd geleden
vermoord, en sindsdien is het op dat front
muisstil. Niettemin wordt de mythe van de
scheldkanonnades ijverig gekoesterd. Dat
blijkt ook uit het vervolg van wat Wouter
Bos in het eerder genoemde interview zegt:
“De methoden van Aboutaleb, Marcouch,
Albayrak en Arib, maar ook van Asscher,
Koole, Bos en Terstall om hetzelfde te bepleiten,
zijn vele malen effectiever.” Zijn
deze felicitaties van Bos aan zijn partijgenoten
(en zichzelf) niet wat voorbarig?

Het probleem lijkt het volgende te zijn:
op het moment dat radicale jongeren of jihadisten
worden geconfronteerd met kritiek
die zij totaal niet als bedreigend ervaren,
laten zij niets van zich horen. Worden
zij daarentegen geconfronteerd met een
aanpak die bij hen een gevoelige snaar
raakt, dan reageren zij met geweld. Het feit
dat er op de methoden van sommige van
de genoemde politici helemaal niet wordt
gereageerd, heeft niet te maken met het
‘fatsoenlijke karakter’ van hun interventies,
maar met het feit dat ook maar niemand
iets van die interventies heeft gemerkt, ook
de tot jihadisme geneigde jongeren zelf
niet. Men kan bijvoorbeeld niet zeggen dat
mevrouw Arib de schrik van radicale jongeren
is. Zij kennen haar niet eens. Ook
het grote publiek had waarschijnlijk nog
nooit van mevrouw Arib gehoord. Zij werd
pas bekend toen Geert Wilders aan de orde
stelde dat zij een dubbel paspoort had.

Op het moment dat radicalen en jihadisten
merken dat een beleid wordt gevoerd
dat impact op hun leven heeft, ontstaat
vanzelf een terroristische belangstelling.
Die terroristische belangstelling gaat ook
uit naar mensen die zich op de meest fatsoenlijke,
niet-kwetsende en niet-beledigende
manier uitlaten. Laten we twee voorbeelden
uit de kring van Bos geven om dit
te illustreren.

In november 2002 kwam de Amsterdamse
burgemeester Cohen met een plan


om religie (dat wil zeggen: de islam) voor
de integratie te gaan gebruiken.20 De gedachte
achter dat plan was bij sommige
schrijvers over dit onderwerp welbekend:
via de ‘gematigde’ moslims zouden we de
radicalen moeten proberen te apaiseren.
En: als Geert Wilders meent dat ‘gematigde’
moslims niet bestaan, heeft hij ongelijk,
want de gematigde islam en gematigde
moslims bestaan wel degelijk. Sterker nog,
het grootste deel van de moslims is ‘gematigd’.

 

Wat Cohen hier over het hoofd ziet, is
dat de ‘gematigde islam’ voor radicalen
een net zo grote, zo niet grotere provocatie
vormt dan alle verzamelde columns
van Theo van Gogh bij elkaar. Het voorstel
van een burgemeester, van wie de naam
doet vermoeden dat hij een joodse achtergrond
heeft, voor het inzetten van ‘hun’ zuivere
godsdienst om ‘ware moslims’ van het
rechte pad te laten afdwalen, zien zij als
een ongehoorde provocatie. Daarom staat
in de brief die Mohammed B. op het ontzielde
lichaam van Van Gogh had vastgepind:
“Wat vindt u van het feit dat er een
burgemeester in Amsterdam aan het roer
staat die een ideologie aanhangt waarin Jo-
den tegen niet-Joden mogen liegen?”21 Zo
ervaren zij dat dus: als liegen. Uiterst provocerend.

 

Een tweede voorbeeld van een uiterst
fatsoenlijke en niet-beledigende politicus
die niettemin de woede van de radicalen
opwekt, is natuurlijk de door Bos
genoemde wethouder Aboutaleb. In een interview
uit april 2005 zei hij: “Ja, ik word
bedreigd. Niet omdat ik mij beledigend
over de islam of over de profeet heb uitgelaten,
maar omdat ik, in een reactie op
een publicatie over het boek De weg van
de moslim – waarin staat dat homoseksuelen
van vijf hoog naar beneden gegooid
dienen te worden – heb gezegd dat het een
oproep is tot het verrichten van een daad
die in strijd is met de rechtsorde in Nederland.
Zo simpel is het. Ik heb niet verwezen
naar de islam, ik heb verwezen naar de
wet. Ik ben wethouder, ik houd de wet. En
in die wet staat, onder andere, dat het vermoorden
van onze medemens niet is toegestaan.”

 

Deze passage geeft aan dat de ook door
mij bewonderde Aboutaleb in 2005 nog
niet zoveel inzicht had in de aard van de
wereldbeschouwing van het religieus terrorisme
en het islamisme waarmee hij op
zo ruwe wijze werd geconfronteerd. Hij
geeft zelfs letterlijk aan niet te begrijpen
waarom hij wordt bedreigd. Hij heeft tenslotte
de profeet niet beledigd. Hij heeft
zich niet negatief uitgelaten over de is-
lam. Nogmaals: “Ik begrijp helemaal niet
waarom ik word bedreigd. Ik zou ook niet
weten hoe ik nu mijn toon zou moeten matigen.
Ik ben de matigheid zelve!”

De bal ligt als het ware recht voor het
doel, maar Aboutaleb kan hem er toch nog
niet inschoppen. Wat had hij dan wel moeten
concluderen?

De conclusie die Aboutaleb hieruit had
moeten trekken (en misschien privé inmiddels
ook wel heeft getrokken), is dat een
officieus maar hardnekkig volgehouden
uitgangspunt van het Nederlandse beleid in
de omgang met religieuze en etnische minderheden,
in het bijzonder het beleid van
zijn eigen partij, prijsgegeven moet worden.
Niet de toon maar de inhoud van de
bewoordingen vormen voor geradicaliseerde
jongeren een steen des aanstoots.
Wie expliciet kiest voor de scheiding van
kerk en staat, de legitimiteit van homosek-

Iedereen mag ervoor kiezen in
stilte van geloof te veranderen,
maar tot het grondrecht van de
vrijheid van godsdienst behoort
ook dat je zelf mag kiezen of
je dat publiek wilt maken of
niet. Vrijheid van godsdienst op
kousenvoeten is een ernstige
inbreuk op die vrijheid

sualiteit (zoals Aboutaleb deed), het gedogen
van prostitutie (waartegen Bilal L.
zich verzette), de vrijheid van meningsuiting
(die Mohammed B. in zijn slotwoord
voor de rechtbank afwijst), de vrijheid van
geloof (inclusief afvalligheid of het veranderen
van geloof) is fout en een potentieel
voorwerp van terroristische aandacht.

Geradicaliseerde jongeren voelen zich
niet in eerste instantie beledigd, gekwetst,
gemarginaliseerd, economisch kansloos
of gefrustreerd door ‘scheldkanonnades’.
Nee, ze zijn in de ban van een religieuspolitieke
ideologie. De arabist Leo Kwarten
formuleert het vele malen beter dan prominente
politici wanneer hij schrijft: “In werkelijkheid
is Mohammed B. geen gek, maar
een manifestatie van een kleine maar snel
groeiende stroming binnen de militante is-
lam die ervan overtuigd is dat de wereld op
een Apocalyps af raast – een proces waarin
de oprechte moslim niet passief kan blijven.”
23 Wat Kwarten hier over B. zegt, geldt
ook voor vele andere jongeren.

De confrontatie tussen het ‘islamisme’
en de democratische rechtsstaat is dus
voor een belangrijk deel een geestelijke
strijd. Het is een strijd die niet alleen met
justitiële middelen kan worden gewonnen:
het opsporen, vervolgen en veroordelen
van religieuze terroristen. Religieuze terroristen
zullen moeten worden bestreden in
hun gedachtegoed. Maar daarvoor is allereerst
van belang dat men erkent dat dit gedachtegoed
bestaat, dat men het wil bestuderen
en dat de Nederlandse elite breekt
met het cultiveren van de mythe dat belediging
en kwetsing de voornaamste oorzaak
zouden zijn voor radicalisering.

Het is ook van belang dat de leden van
de elite bereid zijn om op basis van hun
opvattingen te handelen. Het is niet voldoende
dat men zegt: ‘O, ja hoor, vrijheid
om van godsdienst te veranderen, daar ben
ik voor.’ Het gaat erom dat dit principe (op
welke toon geuit dan ook) hoogst omstre

 

den is en dat de culturele en bestuurlijke
elite bereid is daartegen iets te ondernemen.
Maar, zullen velen van die elite zeggen:
‘Is het dan nodig om verandering van
geloof van de daken te schreeuwen? Het
is best mogelijk van geloof te veranderen,
ook in islamitische kring, als je daar maar
niet zoveel ruchtbaarheid aan geeft. Zie je
wel, het is een kwestie van toonhoogte.’

Antwoord: iedereen mag ervoor kiezen
in stilte van geloof te veranderen, maar tot
het grondrecht van de vrijheid van godsdienst
behoort ook dat je zelf mag kiezen
of je dat publiek wilt maken of niet. Vrijheid
van godsdienst op kousenvoeten is
een ernstige inbreuk op die vrijheid.

Zolang de bestuurlijke en politieke elite
niet van plan is zijn eigen houding te veranderen,
zullen straatschenderij en terrorisme
ons blijven begeleiden.

1
Zie daarover: Lévy, Bernard-Henri, Qui a tué
Daniel Pearl?, Parijs 2003.

2
Zie over de moord op Van Gogh: Chorus,
Jutta, en Ahmet Olgun, In Godsnaam. Het
jaar van Theo van Gogh, Contact, Antwerpen/
Amsterdam 2005.

3
‘De vrijheid bedreigd’, in: NRC Handelsblad, 6
oktober 2005.

4
Kooke, Sandra, en Henny de Lange,
‘Kunstenaars ontdekken de politiek’ (over
Rachid Ben Ali), in: Trouw, 10 februari 2005.

5 Zie: Zwagerman, Joost, ‘Laat Naima El Bezaz
niet alleen’, in: de Volkskrant, 9 maart 2007.
6 Zie hierover: Muller, E.R., Spaaij, R.F.J. en

A.G.W. Ruitenberg (met medewerking van M.
van Leeuwen, A.C. Molenaar en N. Folkers),
Trends in terrorisme, Kluwer, Alphen aan den
Rijn 2003, p.9.
7
Zie over islamisme: Husain, Ed, The Islamist:
Why I Joined Radical Islam in Britain, What I
Saw Inside and Why I Left, Penguin, Londen
2007; Laroui, Fouad, Over het islamisme: een
persoonlijke weerlegging, De Geus, Breda 2006.

8
Zie hierover: Trimondi, Victor en Victoria,

Krieg der Religionen. Politik, Glaube und

Terror im Zeichen der Apokalypse, Wilhelm
Fink Verlag, München 2006. In het algemeen
over religie en politiek in de moderne tijd:
Andresen, Karen en Stephan Burgdorff, red.,

Weltmacht Religion. Wie der Glaube Politik
und Gesellschaft bestimmt, Deutsche Verlags-
Anstalt, München 2007; en Burleigh, Michael,

Sacred Causes. Religion and Politics from
the European Dictators to Al Qaeda, Harper
Press, Londen 2006; Burleigh, Michael, Earthly
Powers. Religion and Politics in Europe from
the Enlightenment to the Great War, Harper
Perennial, Londen en Sydney 2006 (2005).

9
Zie daarover: Green, Toby, Inquisition. The Reign
of Fear, MacMillan, Londen 2007; Bennassar,
Bartolomé, Brève Histoire de l’Inquisition:
L’intolerance au service du pouvoir, Fragile,
Gavaudun 1999; Pérez, Joseph, The Spanish
Inquisition. A History, Profile Books, Londen
2004.

10 De tekst van de verklaring die de moordenaar
van Van Gogh tijdens zijn proces heeft uitgesproken,
is te lezen op: http://www.nos.nl/
nosjournaal/dossiers/terreurinnederland/
verklaringbtekst.html.

11 Hegener, Michiel, Vrijheid van godsdienst,
Contact, Amsterdam/Antwerpen 2005.

12 Warraq, Ibn, red., Leaving Islam. Apostates
Speak Out, Prometheus Books, Amherst, New
York 2003.

13 Een oud boek over dit onderwerp kan men
nog steeds met vrucht lezen: Zwemer, Samuel
M., The Law of Apostasy in Islam. Answering
the Question Why There Are So Few Moslem
Converts, and Giving Examples of Their Moral
Courage and Martyrdom, Marshall Brothers,
Londen, Edinburgh en New York 1924.

14 ‘Christelijke Afghaan zoekt asiel’, in: Trouw, 28
april 2006.

15 Koning, Petra de, ‘Oprichter comité voor exmoslims
mishandeld’, in: nrc.next, 6 augustus
2007.

16 Zie Hirsi Ali, Ayaan, ‘Politiek schadelijk voor
mijn ideaal’, in: Arjan Visser, De Tien Geboden,
Rainbow Pocketboeken, Amsterdam 2003,
pp. 7-18, p. 10: “Mohammed is, gemeten naar
onze westerse maatstaven, een perverse man.
Een tiran.” Merk trouwens op hoe de politica
hier wel een cultuurrelativistisch voorbehoud
maakt: ‘gemeten naar onze westerse
maatstaven’.

17 Buruma, Ian, Murder in Amsterdam: The Death
of Theo van Gogh and the Limits of Tolerance,
Penguin, New York 2006.

18 Sommer, Martin, ‘Geloofsafval kan ook zonder
te kwetsen’, in: de Volkskrant, 10 augustus
2007.

19 Rabbae, Mohammed, ‘PvdA hoeft afvalligheid
niet te vieren’, in: de Volkskrant, 10 augustus
2007.

20 Cohen, Job, Vreemden. Cleveringa-lezing Job
Cohen, burgemeester van Amsterdam, uitgesproken
op dinsdag 26 november 2002 te
Leiden, in verkorte vorm gepubliceerd onder
de titel ‘Religie helpt bij integratie’, in: NRC
Handelsblad, 26 november 2002.

21 B., Mohammed, ‘Open brief aan Hirshi Ali’, in:
Ermute Klein, red., Jihad. Strijders en strijdsters
voor Allah, Byblos, Amsterdam 2005, pp. 27-33,

p. 28.
22 Visser, Arjan, ‘Ik ben allergisch voor onrecht’,
interview met Ahmed Aboutaleb, in: Trouw, 23
april 2005.

23 Kwarten, Leo, ‘De eindstrijd nadert’, in: HP/De
Tijd, 31 december 2004, pp. 20-21.