9 september 2007

Stemverklaring bij een steunverklaring

Ik heb de steunverklaring bij de oprichting van het Comité van ex-moslims, die mij door het Steuncomité ex-moslims werd toegezonden, getekend. Daarmee onderschrijf ik de opvatting dat het fundamentele mensenrecht van vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing, inclusief het recht om van overtuiging te veranderen en daarvan te getuigen, moet worden gegarandeerd. In het bijzonder moeten zgn. afvalligen gevrijwaard blijven van iedere vorm van geweld of dreiging daarmee, ongeacht de wijze waarop zij van hun beweegredenen getuigen.

Voor de goede orde: ik ben geen lid van het Steuncomité, dat uitsluitend uit de initiatiefnemers bestaat en ik heb geen invloed gehad op de formulering van de steunverklaring. Ik beschouw de verklaring dan ook als een in een publiek debat ingediende ‘motie’, waarvan de tekst in voldoende mate mijn opvattingen weergeeft en waarbij ik nu en zo nodig in de toekomst mijn eigen stemverklaring en daarmee mijn opvattingen kan weergeven. De steunverklaring wordt binnenkort openbaar gemaakt bij de oprichting van het Comité van ex-moslims. In de tekst wordt, behalve in de kop, verder niet naar het comité verwezen. De steunverklaring is dus geen blanco volmacht aan het comité om mede namens de ondertekenaars uitspraken te doen over de islam of andere religies. Ieder blijft spreken voor eigen verantwoording. Mijn steun en mijn restricties gelden daarmee in gelijke mate voor alle groepen van ex-gelovigen die daarom vragen. Het punt hier is dat het recht op het maken van eigen religieuze en levensbeschouwelijke keuzen op geen enkele manier ondergraven mag worden door (dreiging met) geweld.

Wat mij betreft is dit uitgangspunt van toepassing op alle godsdiensten en levensbeschouwingen en zelfs politieke bewegingen, maar vanwege de actualiteit, de omvang en de verankering van de dreiging in de heilige geschriften, is de specifieke verwijzing naar de islam op dit moment gerechtvaardigd. Terecht staat in (het toelichtende deel van) de verklaring dat veel Nederlandse moslims geen groot probleem zien in afvalligheid en dat slechts een kleine kern bereid is geweld te gebruiken tegen openlijke islamverlaters. De verklaring geeft daarmee blijk van het inzicht dat, ondanks dreigende passages in de Koran, veel moslims een interpretatie van de islam hanteren, waarbij geloof en respect voor godsdienstvrijheid goed zijn te combineren. De verklaring is dus geen veroordeling van de islam en de moslims in het algemeen. Een van de leden van het steuncomité, Nahed Selim, is een moslima, die zichzelf overigens ook met het humanisme verwant voelt.

Over de passage in de toelichting dat de Nederlandse regering het al langer bestaande probleem negeert zou je kunnen twisten. Er wordt immers wel degelijk bescherming geboden aan bedreigde ex-moslims. Maar een meer pro-actieve houding ten aanzien van deze problematiek is op zijn plaats. Op zich heb ik begrip voor het feit dat politici de steunverklaring, die deels aan henzelf gericht is, niet ondertekenen, maar men is dan wel verplicht om het probleem op een doortastende manier aan te pakken. Men kan tenminste op korte termijn reageren op het dictum van de steunverklaring “Ondergetekenden stellen”, waarin concrete standpunten over vrijheid van religie en levensbeschouwing worden geformuleerd en door de Nederlandse overheid te nemen stappen worden voorgesteld.

(de tekst van de steunverklaring wordt op deze website gepubliceerd zodra deze is vrijgegeven en wij over een digitale versie beschikken)