HOOFDSTUK 13
HANDELEN UIT LIEFDE

 

Liefde, liefde en nog eens liefde. Alles draait om de liefde.  De bijbel staat vol met verwijzingen naar haar. God is liefde, drukt ze ons op het hart.  Heb uw naaste lief. Dat kunnen we weten.  Weten we het ook echt?  Spreek ik voor mezelf dan denk ik het niet.  En u? Daarom wil ik deze laatste overdenking aan de liefde wijden.  Bij de gedachte alleen al slaat de schrik me om het hart.

Corinthiers 13:1-13  is de meest geliefde passage voor een huwelijksdienst.  Ook mijn vrouw en ik kozen ervoor.  Nergens in de bijbel staat zo duidelijk, zo krachtig ook, verwoord wat liefde is.  “De liefde is lankmoedig, de liefde is goedertieren, zij is niet afgunstig, de liefde praalt niet.”  Mooi.  Maar begreep ik wel over welke liefde het gaat?  Kende ik die liefde?  Ik was vol van de liefde die ik toen voelde.  Maar gaat de tekst wel over dat gevoel?  Ik had geen flauw idee.
“All you need is love.”  Iedere keer bij het horen van dat liedje van the Beatles veert het hart op.  Zo werkt dat met liedjes van je jeugd.  Toen ging het toch vooral om verliefd te worden, om de ware liefde te vinden.  Daar gaat het nog steeds om als je op de liedjes en de films afgaat.  Romeo en Julia, the West Side Story, The Sound of Music, en ga maar door.  Steeds weer staat de romantische liefde centraal.  Love, love en nog eens love.  Liefde voor de ander.  Je verliezen in de ander.  Willen weten dat de ander van je houdt.
“Ik hou van jou,”  dat durven zeggen. Ik heb het maar een paar keer aangedurfd, bevreesd als ik was dat ik de belofte die die woorden inhouden, niet waar kon maken.  Amerikaanse ouders zeggen “I love you” tegen hun kinderen bij wijze van goedendag.  “Zeg, we bellen morgen nog wel even.  I love you.  By by.”  Finnen daarentegen hebben er geen woorden voor. Liefde moet blijken uit de daden, lijken zij daarmee te willen zeggen.  “Ik hou van jou.” “En ik ook van jou.”  Het verlangen die woorden met een ander te kunnen uitwisselen.  Het verlangen om iets heel bijzonders met die ander te delen.
En dan ontdekken dat de liefde zwaar belast is.  Zo beladen als ze is met al de verwachtingen die we van haar hebben.  De liefde heelt alle wonden, de liefde maakt gelukkig. Tot de dood ons scheidt.  Wat de liefde wel niet voor ons moet doen.  Het stel was 50 jaar getrouwd.  De jonge man die van niets wist en van alles verwachtte—romantiek vooral, en intimiteit—vroeg hen hoe ze het zo lang met elkaar hadden uitgehouden.  Wordt het niet saai als je zolang bij elkaar bent?  De oude man antwoordde en zei: “wanneer we even niets tegen mekander te zeggen hebben, gaan we samen een liedje zingen.”  De snotneus die ik toen was, dacht het zijne ervan.  Inmiddels weet ik beter.  De liefde bezwijkt maar al te gauw onder de lading waar we haar mee belasten.  En met haar bezwijkt het ene huwelijk na het andere.  Wisten we maar samen te zingen.
Beladen is de liefde ook met mooie woorden.  De ene tekst over de liefde is nog mooier dan ander.  Mijn vader gaf mij het boek Het Hart op de Tong van Roger Garaudy , een marxist die ook een christen was.  Degene tegen wie ik voor het eerst had durven zeggen “ik hou van jou” had kort daarvoor gekozen dat tegen een ander te zeggen.  Verscheurd van verdriet, zelfbeklag en schaamte putte ik moed uit Garaudy’s opmerking dat “zelfs als de sympathie van de geliefde veeleer uitgaat naar een derde,--hoogste beproeving van de liefde,--en ik mij niet geslagen neerleg bij wat ontrouw schijnt, nimmer de pretentie heb te kunnen beantwoorden aan alle verwachtingen en behoeften van de ander, maar slechts wil dat de geliefde allereerst trouw blijft aan zichzelf,--dan existeer ik in de liefde.”  Liefde is geen bezit.  Jaloezie past niet. Althans dat hield ik mij voor.  Wist ik veel.
Het pad van de liefde is bezaaid met doornen en gehuld in doornige takken van wilde rozen. Dat is de les van het leven.  Wie zei dat liefde gemakkelijk was, en lieflijk?  Waarom brengt de nabijheid van die ander het slechtste in mij boven?  Hoe kom ik zo alleen te staan in dat wat liefde moest zijn?  De ontluistering zet in.
Wat is liefde?  De vraag verraadt de vertwijfeling.  De liedjes proberen een antwoord te geven.  Ik hoor mensen over onbaatzuchtigheid spreken, het over jezelf vergeten in de liefde.  Het zijn woorden, mooie woorden die maar al te gemakkelijk in de lucht oplossen.  Dan laat ik mijn geliefde weer eens in de kou staan.  Ben ik verontwaardigd omdat zij mij niet ziet staan.  In het zoeken naar de liefde ben ik oh zo veeleisend. Hou van mij, is de eis.  Alsof de liefde om het ik draait.  Leer ik dan nooit?
Etty Hillesum wist beter.  Deze jonge Joodse vrouw, die haar lot niet uit de weg ging, ontdekte dat het verdriet en zorg voor de eigen familie niet zo veeleisend kan zijn dat men daarom voor de naaste geen aandacht en liefde meer over heeft. 
De verwarring van die liefde met de liefde die je voelt voor die ene in het bijzonder, voor de partner, voor het kind in de armen.  Wat een verwarring te verwachten dat het huwelijk die liefde geeft.  “De liefde neemt niet in bezit, en wil ook niet in bezit genomen worden”, zegt Kahlil Gibran. Spreekt hij over het huwelijk, dan heeft hij het over onafhankelijkheid:  “Vult elkanders bekers, maar drinkt niet uit dezelfde beker . . . en staat tezamen, maar niet te dicht bijeen.”  Het is één van de zware lessen van het huwelijk, van het leven. 
Herkent u die ontluistering?  Of weet u het beter?  Ik wil het zo geloven als ik mijn eigen onmacht bezie. Hoe meer ik te weten kom, door schade en schande, hoe ongrijpbaarder wordt die liefde.  “Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was.”  Heb ik dat?  En u?  “Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht.”  Ik hou van je zoals je bent.  Is dat het?  “Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben.  Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.”  Die liefde dus.  De liefde die meer is dan wat ik voel voor een ander in het bijzonder.  Die liefde die niet te vatten is. Weten dat alleen in die liefde we volledig kennen en gekend worden.
Dan kunnen we weten dat het Ik gauw te dominant is voor de liefde. Het Ik voelt zich benadeeld, het Ik wil erkenning en aandacht, het Ik heeft de liefde van de ander, ieder ander, nodig, het Ik voelt zich alleen.  Begrijp ik dat er dan geen ruimte is voor de liefde?  Denk aan ik in relatie tot Gij, drukt Martin Buber ons op het hart.  Het gaat in die relatie niet om de gevoelens van warmte en opwinding die we zo graag met liefde verwarren. “Gevoelens wonen in de mens; maar de mens woont in de liefde. . . [de liefde] is tussen ik en Gij.”  En Gij bent u, dat is de partner, de moeder, het kind, de asielzoeker. 
En dan slaat de werkelijkheid weer toe.  Hoe harteloos de wereld is waarin u en ik leven.  Hoe genadeloos kunnen mensen voor elkaar zijn. Hoe zeldzaam is de waarachtige liefde.  Waar kom ik die liefde tegen, de liefde die onbaatzuchtig is, die tussen ik en Gij haar weg vindt?  Een man als Mandela weet te raken omdat hij die liefde uitstraalt.  Die liefde breekt door in dagboekaantekeningen van Etty Hillesum; het is een liefde voor alles wat haar omgeeft, een zachte, warme liefde, alsof ze vanzelfsprekend is.  Die liefde ervoer ik bij een Tibetaanse monnik die ik in de VS leerde kennen.  Oordelen deed hij niet.  Het was jammer dat een Chinese soldaat sigarettenpeuken op zijn been moest uitdrukken.  Hij leefde de compassie waarover hij sprak.  Toen ik hem vertelde over mijn liefdesverdriet, glimlachte hij vriendelijk en zei in zijn gebroken engels:”Little suffering, little suffering.”  Wat dacht hij wel, wilde ik nog denken.  Weet hij wel hoeveel pijn ik heb? Ik weet nu dat hij probeerde mij die echte liefde, de ware compassie, wilde laten zien. Zo aanwezig als hij was, zo liefdevol was hij ook.  “Die liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet.”  “En meen niet”, aldus voegt Gibran toe, dat je richting geven kunt aan liefde’s loop, want de liefde richt, zo zij je waardig acht, je loop.”  Vat u het?  Kent u die liefde?  Ik weet het niet.  Ik weet niet of ik die liefde ken.  De bijbel verzekert u en mij dat God Zijn liefde geeft, zo tastbaar ook in de persoon van Jezus, Zijn Zoon.  Jezus is die liefde, de liefde die groter is. Verbijsterend niet?  Zo moeilijk te zien, zo onmogelijk bijna om naar te leven.  Maar dat kunnen wij, u en ik, tenminste weten in al onze onwetendheid: dat Zijn liefde ons de moed geeft naar die liefde uit te kijken. Wat een kracht dat al niet geeft.  Wat een macht tegen al die machteloosheid in!

 

 

 

           


Deze preek werd uitgezonden door de NCRV in Woord op Zondag op 22 februari 2004 ( in een reeks van 7 preken.)  Zie voor andere preken www.Klamer.nl