Steuncomite-Exmoslims.nl
Switch to English version
 
10 september 2007

Steunverklaring
bij de oprichting van het 
Comité van ex-moslims

Individuele vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing, daarbij inbegrepen het recht om van godsdienst of levensbeschouwing te veranderen, ligt in Nederland, op papier althans, onomstotelijk vast. De horizontale werking van artikel 6 van de Grondwet verbiedt het aan iedereen in Nederland om anderen te belemmeren wanneer zij van godsdienst of levensbeschouwing willen veranderen en wanneer zij vrijelijk van die verandering willen getuigen.
Het Internationaal Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten (IVBPR) noemt het recht om van godsdienst te veranderen expliciet in artikel 18, dit in combinatie met de uitleg van artikel 18 van 20 juli 1993 door het Human Rights Committee, dat over het IVBPR waakt. Krachtens de preambule van het IVBPR  is de Nederlandse overheid verplicht om erop toe te zien dat burgers elkaar vrij laten bij hun recht om van godsdienst of levensovertuiging te veranderen.

Van het bovenstaande komt in de praktijk weinig terecht. De individuele vrijheid om van godsdienst of levensovertuiging te veranderen wordt een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking, de moslims namelijk, onthouden. Van mensen die in een islamitisch milieu ter wereld komen wordt bij de geboorte bepaald dat ze moslim zijn, terwijl de islam verandering van godsdienst niet toestaat. De vier soennitische scholen van het islamitisch recht, evenals vele shiitische geleerden, zijn het erover eens dat een volwassen man die van het islamitisch geloof afvalt moet worden gedood. Een vrouwelijke apostaat (afvallige) kan ook ter dood worden gebracht of gevangenisstraf krijgen tot zij berouw toont over haar afvalligheid.

Volgens de overheersende ideeën binnen de islam mag een moslim  nooit van religie veranderen. Velen zijn van mening dat de profeet Mohammed daarvoor de doodstraf instelde.
In ondermeer Soedan en Jemen eist het wetboek van strafrecht de doodstraf voor het verlaten van de islam, in Mauretanië staat dat in de Grondwet, in Saoedie-Arabië en Iran geldt de doodstraf voor het verlaten van de islam krachtens de sharia. In landen als Egypte, Pakistan, Irak en Koeweit geldt geen wettelijk verbod maar is een afvallige vogelvrij. In zekere mate geldt dit laatste in alle overwegend islamitische landen, ook in Turkije. In sommige deelstaten van Maleisië worden openlijke islamverlaters veroordeeld tot een paar jaar heropvoedingskamp.
In de fatwa die Imam Khomeini in 1989 uitvaardigde tegen Salman Rushdie werd benadrukt dat Rushdie afvallig was en dus  ter dood gebracht mocht worden.

Deze trend is de laatste jaren ook in het Westen nadrukkelijk merkbaar. Daarvoor zijn twee concrete aanwijzingen.
Uit websites waar islamverlaters in anonimiteit hun verhaal doen, blijkt dat velen van hen zijn bedreigd of vrezen voor bedreiging.
Ook de zeer geringe aantallen openlijke islamverlaters doen vermoeden hoe groot het probleem is. In een gezonde, open samenleving is migratie tussen religies en levensbeschouwingen, het humanisme, atheïsme en agnosticisme daarbij ingrepen, normaal. Maar migratie uit de islam naar andere religies is wereldwijd en in Nederland een te verwaarlozen fenomeen.

Veel Nederlandse moslims vinden het geen groot probleem als iemand die in een islamitisch milieu werd geboren later kiest voor een andere religie of levensbeschouwing dan de islam. Maar veel andere Nederlandse moslims hebben daar wel grote moeite mee. En een kleine kern is, conform de sharia, bereid geweld te gebruiken tegen openlijke islamverlaters. Uit enquêtes (ondermeer van Foquz Etnomarketing in 2004) is gebleken dat bijna dertig procent van de Nederlandse moslims voorstander is van  introductie van de sharia in Nederland.
Nieuw onderzoek.

In het verbod op afvalligheid is de islam tegenwoordig wereldwijd uniek. Alle grote godsdiensten laten hun leden in principe vrij om op elk moment van geloof te veranderen of om iedere vorm van geloof te verlaten. De katholieke kerk heeft dit recht schriftelijk vastgelegd, in de verklaring Dignitatis Humanae van 1965.

Dit conflict tussen de islamitische leer en de Nederlandse wet bestaat al jaren. Maar de regering negeert het probleem en stelt kennelijk respect voor de islam boven respect voor individuele vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing.
Het verbod om de islam te verlaten is in de eerste plaats een probleem voor de slachtoffers: mensen die bij hun geboorte tot moslim werden gemaakt en die er openlijk mee willen breken.
Het is echter ook een probleem voor Nederland, mogelijk het eerste land dat het recht op individuele vrijheid van godsdienst  schriftelijk vastlegde (zij het in rudimentaire vorm), bij de Unie van Utrecht in 1579.

 

Ondergetekenden stellen

  • dat iedereen die opgroeit in een milieu met een religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging, het atheïsme en het agnosticisme daarbij inbegrepen, volledige vrijheid dient te genieten bij het maken van eigen religieuze of levensbeschouwelijke keuzen
  • dat een keus voor een religie of een levensbeschouwing alleen betekenis heeft indien die keus in vrijheid werd gemaakt en op elk moment herroepen kan worden
  • dat iedere Nederlander alle andere Nederlanders, familieleden daarbij inbegrepen, vrij moet laten bij het maken van religieuze of levensbeschouwelijke keuzen
  • dat de Nederlandse overheid actief moet toezien op de naleving van de horizontale werking van artikel 6 van de Grondwet en de horizontale werking van artikel 18 van het IVBPR
  • dat niemand wordt geboren als moslim, als lid van enige andere geloofsgemeenschap of sekte, of als atheïst
  • dat ouders het recht hebben om kinderen op te voeden in overeenkomst met hun eigen geloofsovertuiging, maar dat ze niet mogen bepalen wat hun kind wel en niet moet geloven. Zodra een kind, ongeacht leeftijd,  eigen overtuigingen krijgt, hebben die voorrang. Dit is conform artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, door Nederland geratificeerd in 1995. Hierbij geldt de interpretatieve verklaring van Nederland uit 1992:
    • “It is the understanding of the Government of the Kingdom of the Netherlands that article 14 of the Convention is in accordance with the provisions of article 18 of the International Covenant on Civil and Political Rights of 19 December 1966 and that this article shall include the freedom of a child to have or adopt a religion or belief of his or her choice as soon as the child is capable of making such choice in view of his or her age or maturity.”
  • dat bij alle vormen van burgerschapsvorming, ook op scholen, islamitische scholen niet uitgezonderd, ruim aandacht moet worden gegeven aan het recht, ook van kinderen, om van godsdienst of levensbeschouwing te veranderen en daarvan te getuigen
  • dat de overheid alles moet doen om een klimaat te scheppen waarin het recht van ieder individu om van godsdienst of levensbeschouwing te veranderen, of om elke vorm van geloof te verlaten, alom wordt gerespecteerd
  • dat het wenselijk is dat islamitische organisaties in Nederland en in de rest van Europa, in navolging van Dignitatis Humanae,  verklaren dat iedereen  vrij is om van religie  of levensbeschouwing te veranderen
  • dat islamitische organisaties in Nederland en in de rest van Europa geweld tegen en intimidatie van afvalligen moeten veroordelen
  • dat de Nederlandse overheid in de Europese Unie het voortouw moet nemen bij het bestrijden van individuele geloofsonvrijheid in de EU als geheel. Daarbij moet speciale aandacht worden gegeven aan de individuele vrijheid van godsdienst en levensovertuiging van mensen die in een islamitisch milieu werden geboren.


Ondertekenaars